Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:606

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-02-2016
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
13/6413 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand die zich in een interview in een landelijk dagblad had geprofileerd als weigerambtenaar. Hij gaf daarin te kennen geen huwelijken te sluiten tussen mensen van hetzelfde geslacht. Deze opstelling is onverenigbaar met het beleid van de gemeente. De Centrale Raad is van oordeel dat hierdoor een impasse is ontstaan die het ontslag rechtvaardigt. Het standpunt van het college van burgemeester en wethouders is in overeenstemming met de huidige wetgeving. Na het ontslag zijn namelijk het Burgerlijk Wetboek en de Algemene wet gelijke behandeling gewijzigd. Deze wetswijziging biedt gemeenten de vrijheid om weigerambtenaren niet in dienst te nemen of te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/86
NJB 2016/520
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2016/4883
TAR 2016/76
AB 2016/179 met annotatie van J.J. Blanken
Gst. 2016/94 met annotatie van H. van Essen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6413 AW

Datum uitspraak: 29 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

23 oktober 2013, 12/9354 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. S.O. Voogt LL.M., advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. J. Bootsma, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Voogt LL.M. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Bootsma, R.J. van der Velde en mr. S.M.J. Smallegange-Pellegrino.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was in de periode van 2000 tot 2010 raadslid en fractievoorzitter van de ChristenUnie/SGP in Den Haag . Gedurende dit raadslidmaatschap was appellant op grond van artikel 2, tweede lid, onder b, van het Reglement Burgerlijke Stand aangesteld als buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand. Na beëindiging van het raadslidmaatschap op 10 maart 2010 is appellant op eigen verzoek bij besluit van 28 januari 2011 vanwege zijn staat van dienst als raadslid opnieuw benoemd tot buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand voor de periode tot 1 februari 2013.

1.2.

Op 27 oktober 2011 is in het dagblad Trouw een interview met appellant gepubliceerd. Daarin is vermeld dat appellant gewetensbezwaren heeft tegen een huwelijk of partnerschap tussen mensen van hetzelfde geslacht, dat hij als christen vanuit de bijbel alleen het huwelijk tussen man en vrouw kent, dat hij blijft weigeren om zogenoemde homohuwelijken te sluiten en dat hij zich afvraagt waarom hij daartoe de ruimte niet krijgt. Naar aanleiding van deze publicatie is appellant op 31 oktober 2011 op televisie geïnterviewd door PowNed .

1.3.

Op 2 november 2011 en 10 november 2011 is naar aanleiding van deze interviews met appellant gesproken over zijn opstelling als zogenoemde weigerambtenaar in verhouding tot het gemeentelijke beleid. Bij brief van 25 november 2011 heeft het college aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt hem op grond van artikel 1:16, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 5 van het Rechtspositiebesluit buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand 2011 van de gemeente Den Haag te ontslaan, omdat een vruchtbare samenwerking niet langer mogelijk werd geacht. Daartoe heeft het college gewezen op het beleid van de gemeente Den Haag, zoals dat in 2007 is vastgelegd in een raadsmededeling, dat personen met gewetensbezwaren tegen het sluiten van huwelijken tussen twee mensen van hetzelfde geslacht niet benoemd worden als buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand. Volgens het college was appellant als voormalig raadslid bekend met dit beleid. Het college heeft verder aangevoerd dat tijdens het kennismakingsgesprek met appellant is besproken of hij principiële bezwaren heeft tegen het sluiten van een huwelijk tussen mensen van hetzelfde geslacht en dat appellant toen heeft aangegeven dat hij zo’n huwelijk wel zou sluiten. Tot slot heeft het college aangevoerd dat appellant in de media op incorrecte wijze is omgegaan met de wensen en gegevens van burgers en dat het ontslag ook daarom passend is. Na kennisneming van de zienswijze van appellant heeft het college appellant bij besluit van

24 januari 2012 conform het voornemen per 1 februari 2012 ontslagen.

1.4.

Bij besluit van 27 augustus 2012 (bestreden besluit) is het tegen het besluit van 24 januari 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand 2011 van de gemeente Den Haag kan aan de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand ontslag worden verleend overeenkomstig, onder andere, artikel 8:8 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Den Haag (ARG).

4.2.

Blijkens artikel 8:8, eerste lid, van de ARG kan een ambtenaar die vast is aangesteld eervol worden ontslagen op een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van het betreffende hoofdstuk genoemd.

4.3.

Het is vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 25 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8754) dat aan een ontslaggrond als bedoeld in artikel 8:8, eerste lid, van de ARG ook toepassing kan worden gegeven als een impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verwacht.

4.4.

De Raad is van oordeel dat er ten tijde van het ontslag van appellant sprake was van een impasse die het ontslag op grond van artikel 8:8, eerste lid, van de ARG rechtvaardigt. Appellant heeft zich in een interview in het dagblad Trouw van 27 oktober 2011 geprofileerd als weigerambtenaar. Hij heeft hierin te kennen gegeven geen huwelijken te sluiten tussen mensen van hetzelfde geslacht. Deze opstelling is onverenigbaar met het beleid van de gemeente Den Haag gericht op het vergroten van de sociale acceptatie van homoseksualiteit en het tegengaan van discriminatie en met de voorbeeldfunctie die de gemeente in dit kader wil vervullen. Het college heeft zich daarom op goede grond op het standpunt gesteld dat appellant niet kan aanblijven in zijn functie van buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand.

4.5.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn ontslag onrechtmatig is nu het in 2007 tot stand gekomen beleid van de gemeente Den Haag ten aanzien van weigerambtenaren alleen betrekking heeft op nieuw aan te stellen weigerambtenaren en niet op al aangestelde (zittende) weigerambtenaren. De Raad volgt appellant hierin niet. Hoewel appellant moet worden toegegeven dat het college geen expliciet beleid voerde ten aanzien van zittende weigerambtenaren - het college veronderstelde dat er in Den Haag geen weigerambtenaren in dienst waren - maakt dit niet dat het college niet tot het ontslag van appellant had mogen overgaan. Voor de vaststelling dat er sprake is van een impasse in de arbeidsverhouding is niet vereist dat de impasse het gevolg is van of anderszins te herleiden is tot gevoerd beleid. Het college is vrij om ten aanzien van een zich op enig moment gedurende het dienstverband voordoend feit op dat moment een standpunt daarover in te nemen. Dat is ook wat het college heeft gedaan toen bekend was geworden dat appellant in zijn functie van buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand weigerde om huwelijken van mensen van hetzelfde geslacht te sluiten. Het college heeft toen immers in lijn met het beleid dat er voor zogenaamde weigerambtenaren binnen de gemeente Den Haag geen plaats is, zijn standpunt bepaald tegenover appellant als zittende (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand. Overigens is dit standpunt geheel in lijn met de op 1 november 2014 in werking getreden Wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de Algemene wet gelijke behandeling met betrekking tot ambtenaren van de burgerlijke stand die onderscheid maken als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (Stb. 2014, 260). Deze wet biedt gemeenten de vrijheid om weigerambtenaren niet in dienst te nemen of te houden.

4.6.

Appellant heeft verder gesteld dat het ontslag onrechtmatig is, omdat het college wist of had kunnen weten dat hij bezwaren heeft tegen huwelijken van personen van hetzelfde geslacht en desondanks heeft nagelaten bij zijn aanstelling tot buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand daarnaar te vragen. Ook hierin volgt de Raad appellant niet. Het lag voor de hand dat appellant zelf melding had gemaakt van zijn gewetensbezwaren en zijn hieruit voortkomende weigering om huwelijken tussen mensen van hetzelfde geslacht te sluiten.

4.7.

Wat betreft de door appellant naar voren gebrachte gronden over de verdragsrechtelijke aspecten van deze zaak, volstaat de Raad met een verwijzing naar het arrest van 15 januari 2013 van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) in de zaak Eweida e.a. tegen het Verenigd Koninkrijk, C-48420/10, C-59842/10, C-51671/10 en C-36516/10, en naar de aangevallen uitspraak. In genoemd arrest heeft het EHRM geoordeeld dat het ontslag van een weigerambtenaar gelet op de doelstellingen van het gemeentelijke beleid - het bieden van gelijke kansen en het tegengaan van discriminatie - en gelet op de aan het bestuursorgaan toekomende “wide margin of appreciation” geen schending oplevert van het gestelde in de artikelen 9 (vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst) en 14 (verbod van discriminatie) van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Uit de aangevallen uitspraak volgt dat, anders dan appellant heeft gesteld, ook in het nationale rechtsbestel geen sprake is van een grondrechtelijk beletsel dat in de weg stond aan het ontslag van appellant. De Raad kan zich hierin vinden.

4.8.

Uit 4.4 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en M.C.D. Embregts en

J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2016.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) A. Mansourova

HD