Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:602

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
15/2542 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Te laat bezwaar. Niet buiten staat op grond van psychische problematiek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2542 WWB

Datum uitspraak: 23 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

4 maart 2015, 14/6648 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.P.M. van Gerven, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Gerven. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt bijstand, ten tijde in geding ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Bij besluit van 15 april 2014 heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 1 augustus 2013 tot en met 31 december 2013 herzien (lees: ingetrokken) en de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 6.201,46 van hem teruggevorderd. Het besluit berust op de overweging dat appellant onjuiste dan wel onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over zijn woonsituatie waardoor het recht op bijstand over die periode niet kon worden vastgesteld. Appellant heeft op 19 juli 2014, na afloop van de bezwaartermijn, bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.3.

Bij brief van 12 augustus 2014 heeft het college appellant verzocht het college mee te delen wat de reden is van het te laat indienen van het bezwaarschrift. Appellant heeft hierop gereageerd bij brief van 25 augustus 2014.

1.4.

Bij besluit van 29 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet verschoonbaar overschrijden van de bezwaartermijn. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de door appellant gestelde psychische klachten geen grond opleveren om het te laat indienen van het bezwaarschrift te rechtvaardigen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voorop wordt gesteld dat in hoger beroep uitsluitend de vraag aan de orde is of het college het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het overschrijden van de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift.

4.2.

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

4.3.

Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn voor het maken van bezwaar is aangevangen op 16 april 2014, dat de termijn is geëindigd op 27 mei 2014 en dat het bezwaarschrift na afloop van deze termijn is ingediend.

4.5.

Appellant heeft aangevoerd dat hij als gevolg van zijn psychische klachten niet in staat was binnen de bezwaartermijn een bezwaarschrift in te dienen en dat het te laat indienen van het bezwaarschrift om die reden verschoonbaar moet worden geacht. Hij verwijst in dat kader naar het door psychiater G. Meynen opgestelde behandelplan van 23 september 2013. Uit dit behandelplan blijkt niet alleen het bestaan van een posttraumatische stressstoornis, maar ook de ernst daarvan en het feit dat hij daarvoor werd behandeld en nog steeds wordt begeleid door een psychotherapeute. Voorts heeft appellant betoogd dat het college, zonder nader onderzoek naar de aard en ernst van zijn psychische klachten, zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door hem opgegeven redenen voor het te laat indienen van het bezwaar niet tot een verschoonbare termijnoverschrijding leiden. Dit klemt temeer nu het college, zoals blijkt uit de in het dossier aanwezige “Rapportages richtinggevend re-integratieadvies” van 8 augustus 2011 en 17 april 2014, op de hoogte was van de aard en ernst van zijn psychische klachten.

4.6.

In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest als bedoeld in

artikel 6:11 van de Awb. Uit het behandelplan en uit de “Rapportages richtinggevend

re-integratieadvies” blijkt weliswaar dat appellant psychische problemen heeft, wat op zichzelf ook niet door het college wordt ontkend, maar deze (medische) stukken bieden geen enkel aanknopingspunt voor het betoog van appellant dat zijn medische situatie tijdens de gehele bezwaartermijn van 16 april 2014 tot en met 27 mei 2014 zodanig ernstig was dat hij als gevolg daarvan buiten staat was tijdig een (pro forma) bezwaarschrift in te dienen dan wel daarvoor de hulp van derden in te roepen. Daarbij komt dat appellant wel in staat is gebleken om met behulp van een derde bij brief van 30 april 2014, dus tijdens de bezwaartermijn, bij het college een toeslag aan te vragen. Anders dan appellant ter zitting heeft betoogd, blijkt uit de brief van 30 april 2014 overigens niet dat hij met deze brief tevens heeft beoogd bezwaar te maken tegen het besluit van 15 april 2014, nu die brief uitsluitend zag op het aanvragen van een toeslag en appellant in die brief op geen enkele wijze kenbaar heeft gemaakt dat hij het niet eens was met de intrekking en terugvordering van de bijstand.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het college het bezwaar tegen het besluit van 15 april 2014 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2016.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M.S. Spek

HD