Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:598

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
14/6537 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Onduidelijke woonsituatie. Huisbezoek niet onrechtmatig. Redelijke grond + vermeld niet verplicht tot medewerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6537 WWB

Datum uitspraak: 23 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

16 oktober 2014, 14/5384 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.H.J. Krouwel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2016. Appellante, daartoe opgeroepen, is verschenen, bijgestaan door mr. Krouwel. Het college, eveneens daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is afkomstig uit Hongarije.

1.2.

Bij besluit van 15 november 2012 heeft het college de aanvraag van appellante om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) van 31 oktober 2012 afgewezen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet woonachtig is in de gemeente Den Haag. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

1.3.

Appellante staat sinds 22 november 2013 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie personen, BRP) in de gemeente Den Haag ingeschreven op het adres [adres] (opgegeven adres). Sinds die datum stond op dat adres ook ingeschreven [naam] (Y). Dit betrof een inschrijving als briefadres.

1.4.

Op 26 november 2013 heeft appellante zich bij UWV Werkbedrijf gemeld om bijstand naar de norm voor een alleenstaande aan te vragen. Het aanvraagformulier is op 27 januari 2014 door het college ontvangen. Daarbij heeft appellante Y opgegeven als haar tolk.

1.5.

Bij besluit van 24 februari 2014 heeft het college appellante bij wijze van voorschot algemene bijstand verstrekt tot een bedrag van € 850,- in de vorm van een renteloze geldlening.

1.6.

Over de afwijking van de GBA-gegevens van de door appellante opgegeven woonsituatie, heeft een medewerker van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente Den Haag (dienst SZW) op 27 januari 2014 telefonisch contact opgenomen met Y. Voorts hebben twee medewerkers van de dienst SZW op 26 februari 2014 een onaangekondigd huisbezoek afgelegd aan de woning van appellante. De bevindingen van dit huisbezoek zijn neergelegd in een ’Registratieformulier huisbezoeken’ (registratieformulier) en een rapport van dezelfde datum.

1.7.

Bij besluit van 27 februari 2014 heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen. Bij afzonderlijk besluit van eveneens 27 februari 2014 heeft het college het verleende voorschot tot een bedrag van € 850,- van appellante teruggevorderd.

1.8.

Bij besluit van 30 juni 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 27 februari 2014 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt over haar woonsituatie, waardoor zij de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op aanvraag. Dit betekent dat de te beoordelen periode in dit geval loopt van 26 november 2013 tot en met 27 februari 2014.

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Bij een aanvraag om bijstand rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager is verplicht juiste en volledige informatie over onder meer zijn woon- en leefsituatie te verschaffen, omdat deze gegevens van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van zijn onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de aanvrager niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Appellante heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de grondslag van het bestreden besluit onjuist of onvolledig is, omdat het college impliciet aanneemt dat sprake is van een gezamenlijke huishouding van appellante met Y.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft ter zitting de grondslag van het bestreden besluit nader toegelicht. Aan het bestreden besluit ligt niet een gezamenlijke huishouding van appellante met Y ten grondslag, maar het door appellante verstrekken van onjuiste dan wel onvolledige gegevens over haar woonsituatie. De vermelding van een gezamenlijke huishouding in het rapport van 27 februari 2014 en het primaire besluit van dezelfde datum berust op een kennelijke misslag, die bij het bestreden besluit is hersteld.

4.5.

Appellante heeft ter zitting aangevoerd dat de bevindingen van het huisbezoek van

26 februari 2014 niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen worden gelegd. Voor het huisbezoek bestond volgens appellante geen redelijke grond, aangezien de ontstane twijfel aan de woonsituatie van appellante ook in een gesprek bij het college had kunnen worden geverifieerd. Daarnaast berust de toestemming van appellante niet op ’informed consent’, zodat het huisbezoek onrechtmatig is.

4.5.1.

Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete en objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en deze niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek, dan moet de belanghebbende erop worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand. Ontbreekt een redelijke grond, dan moet de betrokkene erop worden geattendeerd dat het weigeren van toestemming geen gevolgen heeft voor de bijstandsverlening. De bewijslast ten aanzien van het ’informed consent’ bij het binnentreden van de woning rust op het bijstandverlenend orgaan.

4.5.2.

Voorafgaand aan het huisbezoek op 26 februari 2014 heeft het college naar aanleiding van een eerdere aanvraag om bijstand van appellante van 31 oktober 2012, onderzoek verricht. Hieruit is onder meer naar voren gekomen dat, hoewel appellante naar eigen zeggen al drie jaar in Nederland verbleef, zij zich eerst vanaf 16 augustus 2012 in de GBA had ingeschreven op verschillende (brief)adressen in de gemeente Den Haag. Het was onduidelijk waar appellante feitelijk verbleef en ook was appellante onwillig om gegevens over haar verblijfadres te verstrekken. Naar aanleiding van de onderhavige aanvraag om bijstand heeft het college opnieuw onderzoek verricht. Hieruit is onder meer naar voren gekomen dat appellante sinds 22 november 2013 staat ingeschreven op het opgegeven adres en dat Y sinds die datum eveneens stond ingeschreven op dat adres met een briefadres. Het hierover op

27 januari 2014 met Y opgenomen telefonisch contact leidde niet tot meer duidelijkheid over haar woonsituatie. Gelet op deze bevindingen kon het college redelijkerwijs twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de door appellante verstrekte gegevens over haar woonsituatie en bestond een redelijke grond voor het afleggen van het huisbezoek op 26 februari 2014. Niet valt in te zien dat de woonsituatie van appellante op dat moment op een andere effectieve, voor haar minder belastende wijze dan door middel van een huisbezoek had kunnen worden geverifieerd. De beroepsgrond dat had kunnen worden volstaan met een gesprek bij het college, slaagt dan ook niet.

4.5.3.

Uit het door appellante ondertekende registratieformulier blijkt dat appellante vrijwillig toestemming heeft verleend voor het huisbezoek en op basis van ’informed consent’. Op het formulier heeft appellante aangekruist dat zij toestemming geeft voor een huisbezoek door de dienst SZW. Het formulier is gedateerd op 26 februari 2014 en appellante heeft dit formulier ondertekend. Dat appellante, naar blijkt uit het formulier, tevens heeft aangekruist dat zij geen toestemming geeft voor het huisbezoek, maakt het voorgaande niet anders, nu zij dit later weer heeft doorgehaald en in de rapportage Huisbezoek van 26 februari 2014 eveneens staat dat appellante toestemming heeft gegeven voor het huisbezoek door ondertekening van het formulier. Uit dit formulier en de rapportage van 26 februari 2014 blijkt voorts dat de twee medewerkers van de dienst SZW appellante hebben gewezen op de reden en het doel van het huisbezoek: het controleren of de gegevens over haar woonsituatie kloppen. Het betoog dat appellante de Nederlandse taal onvoldoende machtig is om te begrijpen dat zij het huisbezoek had mogen weigeren zonder dat dit directe gevolgen had voor haar uitkering, slaagt niet, reeds omdat, zoals in 4.5.2 is overwogen, voor het huisbezoek een redelijke grond bestond en weigering ervan dan ook gevolgen kon hebben voor de bijstand. Op grond van de gedingstukken is verder niet gebleken dat Y, die op verzoek van de medewerkers van de dienst SZW ook bij het huisbezoek optrad als tolk van appellante, wegens taalproblemen met appellante niet voor een adequate vertaling heeft kunnen zorg dragen. Het voorgaande betekent dat het college de bevindingen van het huisbezoek aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen.

4.6.

Appellante betwist dat zij onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt over haar woonsituatie. Ten onrechte heeft het college geen waarde gehecht aan de door haar in bezwaar overgelegde verklaringen van Y en zijn broer, [naam broer] . Voorts heeft het college onvoldoende onderzoek gedaan naar haar woonsituatie.

4.7.

Appellante heeft bij de onderhavige aanvraag te kennen gegeven dat zij alleenwonend is in die zin dat geen andere personen op het opgegeven adres wonen. Daarbij heeft zij niet gemeld dat Y zich tegelijk met haar in de GBA heeft ingeschreven op het opgegeven adres met een briefadres.

4.8.

Over de afwijking van de GBA-gegevens van de door appellante opgegeven situatie, heeft een medewerker van de dienst SZW op 27 januari 2014 telefonisch contact opgenomen met Y. Hierin heeft Y namens appellante verklaard dat hij niet samenwoont met appellante en dat appellante een kennis van hem is. Zij zijn geen partners en hij verblijft zelf deels bij zijn ouders of zijn vriendin.

4.9.

Uit het registratieformulier van het op 26 februari 2014 aan de woning van appellante afgelegde huisbezoek blijkt dat medewerkers van de dienst SZW bij die gelegenheid zowel appellante als Y in de woning hebben aangetroffen. Tevens hebben zij daarbij onder meer een herengarderobe die Y toekomt en de administratie van Y aangetroffen.

4.10.

De in 4.7 tot en met 4.9 vermelde omstandigheden deden gerede twijfel ontstaan aan de woonsituatie van appellante. Het lag op de weg van appellante om deze twijfel weg te nemen. Appellante heeft in bezwaar ongedateerde verklaringen van Y en zijn broer overgelegd. Hieruit komt naar voren dat Y twee tot drie dagen per week bij appellante verblijft en de rest van de week - drie tot vier dagen - bij zijn broer. Deze verklaringen, hebben de onduidelijkheid over de woonsituatie van appellante niet weggenomen, alleen al niet omdat deze verklaringen niet stroken met wat Y op 27 januari 2014 telefonisch tegenover een medewerker van de dienst SZW heeft verklaard. De ter zitting ingenomen stelling dat de weergave van deze laatste verklaring niet juist of onvolledig zou zijn, houdt geen stand, omdat appellante deze stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd. De eveneens ter zitting ingenomen stelling dat het college onvoldoende onderzoek naar de woonsituatie van appellante heeft gedaan, omdat appellante niet in de gelegenheid is gesteld een toelichting te geven op de inschrijving van Y op het opgegeven adres met een briefadres, slaagt evenmin gelet op wat Y op 27 januari 2014 telefonisch heeft verklaard. Ook overigens kan niet worden gezegd dat het college onvoldoende onderzoek naar de woonsituatie van appellante heeft verricht.

4.11.

Uit 4.10 volgt dat appellante onduidelijkheid over haar woonsituatie in het leven heeft geroepen en heeft laten voortbestaan, die zij voor een goede beoordeling van haar recht op bijstand had moeten wegnemen. Dit betekent dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante, door onjuiste dan wel onvolledige gegevens te verstrekken over haar woonsituatie, de op haar ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Als gevolg daarvan heeft het college niet kunnen vaststellen of appellante in de te beoordelen periode verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden.

4.12.

Met wat in 4.11 is overwogen, is tevens gegeven dat het college op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder d, van de WWB bevoegd was het voorschot van appellante terug te vorderen. Appellante heeft tegen de wijze van uitoefening van deze bevoegdheid geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.13.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2016.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) R.G. van den Berg

HD