Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:587

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
14/3413 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Onvoldoende omstandigheden voor twijfel over de woonsituatie. Herroeping afgewezen aanvragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3413 WWB, 15/1525 WWB

Datum uitspraak: 23 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van

4 juni 2014, 13/3493 (aangevallen uitspraak 1) en van 6 februari 2015, 14/4383 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

B.L. Heijs en A. Everts.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft zich op 28 januari 2013 vanuit [plaats 1] , gemeente [gemeente] , gevestigd in [adres] (opgegeven adres). Appellante heeft op 31 januari 2013 een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Op 4 maart 2013 is appellante bevallen van een zoon. Naar aanleiding van haar aanvraag heeft het college een onderzoek ingesteld naar haar woon- en leefsituatie. In het kader van dat onderzoek hebben medewerkers van de gemeente Ooststellingwerf (de medewerkers) inlichtingen ingewonnen bij de gemeente [gemeente] , op 8 mei 2013 een huisbezoek afgelegd aan het opgegeven adres en appellante gehoord.

1.2. Bij besluit van 24 mei 2013 heeft het college de aanvraag van appellante van 31 januari 2013 afgewezen op de grond dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden door, anders dan zij heeft opgegeven, met haar ex-partner [naam] (S), de vader van haar kind, een gezamenlijke huishouding te voeren en daarvan geen melding te maken. Bij besluit van

6 augustus 2013 heeft het college de op 14 maart 2013 en 23 april 2013 aan appellante verleende voorschotten ten bedrage van in totaal € 1.250,- van appellante teruggevorderd.

1.3. Op 11 juni 2013 heeft appellante een aanvraag om bijstand ingevolge de WWB ingediend naar de norm voor een alleenstaande ouder. In dit kader hebben de medewerkers op 15 juli 2013 andermaal een huisbezoek afgelegd aan het opgegeven adres, op 17 juli 2013 appellante gehoord en een aantal waarnemingen verricht bij het opgegeven adres in de periode van 4 juli 2013 tot en met 7 augustus 2013.

1.4. Bij besluit van 27 augustus 2013 heeft het college de aanvraag van appellante van 11 juni 2013 afgewezen op de grond dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden door onvoldoende duidelijkheid te verschaffen over haar woon- en leefsituatie, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.5. Bij besluit van 3 december 2013 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 24 mei 2013, 6 augustus 2013 en 27 augustus 2013 ongegrond verklaard en de grondslag van het besluit van 24 mei 2013 gewijzigd in die zin dat ook ten aanzien van de aanvraag van 31 januari 2013 wordt geconcludeerd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat zij onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over haar woon- en leefsituatie als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.6. Appellante heeft op 10 oktober 2013 opnieuw een aanvraag om bijstand ingevolge de WWB ingediend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college onderzocht of de omstandigheden van appellante ten opzichte van haar laatste aanvraag van 11 juni 2013 waren gewijzigd. In dit verband heeft appellante een verklaring afgelegd op 4 december 2013 en hebben de medewerkers van 4 december 2013 tot en met 12 december 2013 waarnemingen bij het opgegeven adres verricht. De bevindingen van dit onderzoek zijn vervat in een rapport fraudeonderzoek van 13 januari 2014.

1.7. Op 6 januari 2014 is appellante verhuisd naar een andere gemeente.

1.8. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

31 januari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 september 2014 (bestreden

besluit 2), de aanvraag van 10 oktober 2013 af te wijzen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat ten opzichte van de vorige aanvraag geen sprake is van nieuwe feiten of een relevante wijziging van omstandigheden, in die zin dat appellante thans wel voldoet aan de vereisten voor het recht op bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Bestreden besluit 1


Aanvraag van 31 januari 2013

4.1.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.2.

Niet in geschil is dat appellante in de te beoordelen periode, die loopt van 31 januari 2013 tot en met 24 mei 2013, met haar kind op het opgegeven adres woonachtig was. Het college heeft onvoldoende grondslag aanwezig geacht om zijn oorspronkelijke standpunt te handhaven dat appellante daar ten tijde van belang een gezamenlijke huishouding voerde met S. Niettemin heeft het college zich op het standpunt gesteld dat sprake was van een onduidelijke woon- en leefsituatie, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Volgens het college is niet duidelijk geworden of appellante al dan niet samen met S op het opgegeven adres woonde. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de twijfels over de woon- en leefsituatie van appellante zijn gebaseerd op het volgende. Appellante heeft tegenstrijdig verklaard over wie de jacuzzi in haar tuin heeft betaald. Appellante heeft bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder aangevraagd, terwijl op het geboortekaartje van haar zoon zowel appellante als S staat vermeld met het opgegeven adres. Verder heeft appellante verklaard af en toe gebruik te maken van de auto van S, terwijl de auto van S bij de waarnemingen elke dag voor de deur is aangetroffen.

4.3.

Anders dan de rechtbank en met appellante is de Raad van oordeel dat de door het college genoemde omstandigheden onvoldoende zijn om zodanig te twijfelen aan de woon- en leefsituatie van appellante, dat appellante kan worden verweten dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. De verklaringen van appellante over de financiering van haar jacuzzi en de vermelding van S op het geboortekaartje zeggen onvoldoende over het hoofdverblijf van S. De door het college bij het opgegeven adres aangetroffen auto van S kan niet ter onderbouwing dienen van het besluit van 24 mei 2013, nu de waarnemingen hebben plaatsgevonden na de te beoordelen periode. Het college had nader onderzoek moeten doen naar de woon- en leefsituatie van appellante.

4.4.

Voor zover bestreden besluit 1 betrekking heeft op de aanvraag van 31 januari 2013 volgt uit 4.3 dat dit besluit in zoverre niet zorgvuldig is voorbereid en op een onvoldoende feitelijke grondslag berust en daarom in zoverre geen stand kan houden.

4.5.

Mede in aanmerking genomen dat appellante op 6 januari 2014 is verhuisd, is niet aannemelijk dat nader onderzoek door het college nog voldoende feitelijke grondslag oplevert om daarop een afwijzing van de aanvraag te kunnen baseren. Op een andere (wettelijke) grondslag voor de afwijzing heeft het college zich niet beroepen. Gelet hierop ziet de Raad aanleiding het besluit van 24 mei 2013 te herroepen en zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat appellante recht heeft op bijstand met ingang van 31 januari 2013 naar de voor haar van toepassing zijnde norm.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat geen grond bestaat om de aan appellante betaalde voorschotten van

€ 1.250,- terug te vorderen. Gelet hierop ziet de Raad tevens aanleiding het besluit van

6 augustus 2013 te herroepen.

Aanvraag van 11 juni 2013

4.7.

Aan de afwijzing van de aanvraag van 11 juni 2013 ligt het uitgangspunt ten grondslag dat appellante geen recht op bijstand had. Gelet op 4.4 moet dit uitgangspunt - achteraf bezien - voor onjuist worden gehouden. De Raad zal daarom ook het besluit van 27 augustus 2013 herroepen, aangezien daaraan de grondslag is komen te ontvallen.

4.8.

Uit 4.3 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt, zodat deze uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaren, dit besluit vernietigen en zelf in de zaak voorzien, zoals weergegeven onder 4.5 tot en met 4.7.

Bestreden besluit 2

4.9.

Ook aan bestreden besluit 2 ligt het uitgangspunt ten grondslag dat appellante geen recht op bijstand had. Gelet op 4.4 moet dit uitgangspunt - achteraf bezien - voor onjuist worden gehouden.

4.10.

Uit 4.9 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 slaagt, zodat deze moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren, dit besluit vernietigen en zelf in de zaak voorzien door het besluit van 31 januari 2014 te herroepen, aangezien daaraan de grondslag is komen te ontvallen.

Slotoverwegingen

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in bezwaar, in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 2.976,- voor verleende rechtsbijstand in de zaak 14/3413 WWB en op € 2.976,- voor verleende rechtsbijstand in de zaak 15/1525 WWB.

5.1.

Het verzoek van appellante om het college te veroordelen tot betaling van schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het college de rente moet berekenen wordt verwezen naar de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958. Het gaat hier om de termijnen vanaf 31 januari 2013. Dit betekent dat de wettelijke rente is ingegaan op 1 februari 2013. Over iedere verdere termijn is de wettelijke rente telkens gaan lopen op de eerste dag van de daarop volgende kalendermaand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraken;

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de besluiten van 3 december 2013 en 4 september 2014;

- herroept de besluiten van 24 mei 2013, 6 augustus 2013, 27 augustus 2013 en 31 januari

2014 en bepaalt dat appellante met ingang van 31 januari 2013 recht heeft op bijstand naar

de voor haar toepasselijke norm en dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde

besluiten van 3 december 2013 en 4 september 2014;

- bepaalt dat aan appellante een vergoeding van wettelijke rente wordt toegekend op de onder

5.1

van deze uitspraak vermelde wijze;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal

€ 5.952,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 334,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2016.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) R.G. van den Berg

HD