Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:574

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
14/5940 AW e.v.
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herplaatsingskandidaat. Herplaatsingstermijn achttien maanden verlengd met twaalf maanden. Minister heeft zich voldoende ingespannen. Geen functies benoemd waarvoor minister opleiding had moeten aanbieden om functies passend te maken. Eigen inspanningen niet van direct belang. Aanwezige passende functies vielen buiten gezagsbereik minister. Rechtsgevolgen vernietigde bestreden besluiten terecht in stand gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5940 AW, 14/5941 AW

Datum uitspraak: 18 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

10 oktober 2014, 14/521 en 14/522 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant 1] en [Appellant 2] te [woonoplaats] (appellanten)

de minister van Financiën (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. drs. C.M.J.E.P. Meerts hoger beroep ingesteld.

De minister heeft verweerschriften ingediend.

Namens appellanten zijn nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2016. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. drs. Meerts en mr. M.F.J. Gelissen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Fokkens en drs. ing. T. Huisman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellanten waren werkzaam bij de [naam werkgever], regio-eenheid [regio].

1.2.

Wegens het sluiten van de locatie [regio] zijn appellanten op grond van artikel 49d van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) met ingang van 13 december 2010 aangewezen als herplaatsingskandidaat. De herplaatsingstermijn van achttien maanden is voor beiden met twaalf maanden verlengd tot 13 juni 2013.

1.3.

Gedurende de herplaatsingstermijn heeft de minister appellanten geen passende functie aangeboden.

1.4.

Omdat het niet mogelijk is gebleken appellanten te herplaatsen in een passende functie, heeft de minister aan hen op grond van artikel 96 van het ARAR bij onderscheiden besluiten van 21 februari 2013 reorganisatieontslag verleend met ingang van 13 juni 2013. Na bezwaar van appellanten heeft de minister deze ontslagbesluiten bij onderscheiden besluiten van 6 januari 2014 (de bestreden besluiten) gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven. Voor deze laatste beslissing heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat het herplaatsingstraject is beëindigd en de passende functies niet meer beschikbaar zijn, dat de minister zich voldoende heeft ingespannen om appellanten herplaatst te krijgen en dat zij weinig initiatief hebben ontplooid om weer aan het werk te komen. Handhaving van het eervol ontslag is daarom gerechtvaardigd.

3.1.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand zijn gelaten.

3.2.

De minister heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Uit het dossier blijkt dat de minister zich voldoende heeft ingespannen om appellanten herplaatst te krijgen. Voor zover appellanten betogen dat de minister hun opleidingen had behoren aan te bieden, overweegt de Raad dat appellanten geen functies hebben benoemd waarvoor de minister heeft nagelaten hun een opleiding aan te bieden om deze functies alsnog passend te maken. De minister heeft appellanten wel een opleiding voor bijzonder opsporingsambtenaar aangeboden.

4.2.

Of appellanten zelf al het mogelijke hebben gedaan om een passende functie te vinden

- waarover partijen twisten - is niet van direct belang bij de beantwoording van de vraag of de rechtsgevolgen in dit geval terecht in stand zijn gelaten. De Raad gaat op deze kwestie dan ook niet in.

4.3.

De minister heeft ter zitting toegelicht dat er tijdens de herplaatsingsperiode weliswaar functies waren die als passend konden worden aangemerkt, maar dat het daarbij ging om functies buiten zijn gezagsbereik. De minister kon appellanten daarom wel voordragen voor deze functies, maar hij kon ze hun niet aanbieden als bedoeld in artikel 49g van het ARAR en appellanten evenmin herplaatsen in die functies als bedoeld in artikel 49i van het ARAR. Daarbij heeft hij verklaard dat schaal 5-functies binnen zijn organisatie op termijn verdwijnen en dat er ook daarom in de toekomst geen zicht meer is op herplaatsing van appellanten.

4.4.

De Raad constateert dat appellanten geen concrete, binnen het gezagsbereik van de minister vallende functies hebben benoemd die deze hun had moeten aanbieden. Het dossier biedt ook geen aanknopingspunt voor de conclusie dat die functies er waren. Opgemerkt wordt daarbij dat de door appellanten genoemde functies in Soesterberg en in Ulicoten zijn toebedeeld aan, respectievelijk, iemand met een hogere anciënniteit dan appellanten en iemand die op kortere reisafstand tot de locatie woonde en daarom, conform de voorschriften, in geval van een noodsituatie sneller ter plaatse kon zijn. Tegen deze achtergrond bezien, ziet de Raad geen reden om te twijfelen aan hetgeen de minister ter zitting heeft toegelicht en verklaard. Er is dus niet gebleken dat er reële mogelijkheden zijn of zijn geweest tot herplaatsing van appellanten in een passende functie.

4.5.

Nu aannemelijk was dat er geen reële mogelijkheid was tot herplaatsing van appellanten in een passende functie, heeft de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand gelaten. Het hoger beroep slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

4.6.

Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en B.J. van de Griend en

M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2016.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD