Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:570

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
14/266 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onjuiste maatstaf arbeid bestreden besluit. In hoger beroep nieuwe maatstaf arbeid. Oordeel rechtbank medische beoordeling onderschreven. Appellante niet aannemelijk gemaakt dat op datum in geding sprake was van beperkingen die haar beletten haar eigen arbeid te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/266 ZW

Datum uitspraak: 17 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

11 december 2013, 13/1524 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. E.A.A. Charry, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Charry. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een overzicht van de feiten en omstandigheden wordt verwezen naar rubriek 1 van de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2.

Appellante heeft zich vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving per 24 augustus 2012 ziek gemeld vanwege oogklachten. In verband daarmee is haar een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Appellante is op 12 december 2012 op het spreekuur van een voor het Uwv werkzame verzekeringsarts gezien. Deze arts is op grond van zijn eigen bevindingen tot de conclusie gekomen dat het ziekteproces dusdanig is verbeterd dat appellante voldoende belastbaar is om weer in haar maatgevende arbeid van medewerker activering/school te hervatten. Bij besluit van 12 december 2012 heeft het Uwv het recht op ziekengeld van appellante met ingang van 14 december 2012 beëindigd.

1.3.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase is appellante door een verzekeringsarts bezwaar en beroep gezien. De arts heeft de eerder in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geduide functies aangemerkt als “zijn arbeid”. Nadat appellante is onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, heeft het Uwv bij besluit van 19 februari 2013 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen en conclusies van de betrokken verzekeringsartsen. De rechtbank heeft in haar uitspraak aandacht besteed aan de door appellante in beroep overgelegde informatie van de huisarts van 27 maart 2013 en de oogarts van 8 oktober 2013.

3.1.

Appellante kan zich met deze uitspraak niet verenigen en heeft in hoger beroep aangevoerd dat zowel de verzekeringsartsen als de rechtbank voorbij zijn gegaan aan het advies van de oogarts dat zij niet mocht snuiten/niezen en dat zij stof zoveel mogelijk moest vermijden. Ter zitting heeft appellante benadrukt dat zij al eerder, in 2010 en 2011, is geopereerd aan haar traanbuis en dat zij op 14 november 2012 opnieuw is geopereerd. Ze kreeg voor minstens drie maanden een traanbuis in haar keel. Appellante stelt dat zij een moeilijke tijd heeft gehad. Ze kon niet normaal ademen, sliep half zittend en mocht van de specialist niet snuiten/niezen, bukken en tillen. Vanwege haar hooikoorts moest zij stofplekken vermijden. Zij leefde daardoor in een constante quarantaine. Zij was niet in staat om zelfstandig te functioneren. Haar zus is in die tijd uit Turkije overgekomen om haar te helpen. De artsen van het Uwv hebben haar niet juist behandeld en haar beperkingen onderschat.

3.2.

Het Uwv heeft bij brief van 23 november 2015 meegedeeld dat ten aanzien van de beoordeling van appellantes ongeschiktheid tot werken in de bezwaarfase een onjuiste maatstaf arbeid is gehanteerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 23 november 2015 geconcludeerd dat appellante op 14 december 2012 ook geschikt is voor haar functie als medewerker activering/school voor 20 uur per week.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak is bij de beoordeling van ongeschiktheid tot werken in de zin van de ZW, de maatstaf arbeid de laatstelijk voor het intreden van de ongeschiktheid feitelijk verrichte arbeid. Dit geldt ook na een afschatting - op basis van geschiktheid voor de maatgevende arbeid dan wel voor geselecteerde functies - indien betrokkene nadien in enig werk heeft hervat.

4.2.

Zoals inmiddels door het Uwv is erkend, is bij het bestreden besluit ten onrechte als maatstaf arbeid gehanteerd de in 2008 in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Het Uwv hanteert nu als maatstaf arbeid het werk zoals appellante dat van november 2008 tot juli 2010 als medewerker activering/school (leraar taalcursussen) heeft verricht. Gelet op hetgeen in 4.1 is overwogen is dit de juiste maatstaf.

4.3.

Met betrekking tot de medische beoordeling wordt het oordeel van de rechtbank onderschreven. Er bestaat geen aanleiding om het medische onderzoek dat het Uwv aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd onzorgvuldige te achten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossieronderzoek verricht, appellante op de hoorzitting gezien en haar aansluitend onderzocht. Uitwendig onderzoek aan de ogen liet geen zichtbare afwijkingen zien, met name geen irritatie of tranen. Het overig lichamelijk onderzoek liet, behoudens pijnklachten eindstand CWK, LWK en schouders, ook geen afwijkingen zien. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door appellante overgelegde informatie van de huisarts van 26 september 2012 en de verkregen informatie van de oogarts van 11 februari 2013 bij zijn oordeel betrokken. Uit de informatie van de oogarts blijkt dat appellante is aangeraden om voorzichtig te zijn met het snuiten van de neus. Uit zijn rapport van 23 januari 2013/18 februari 2013 blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet tot andere bevindingen is gekomen dan de verzekeringsarts en dat de belastbaarheid van appellante niet is afgenomen.

4.4.

Door appellante is niet aannemelijk gemaakt dat op de hier in geding zijnde datum,

14 december 2012, sprake was van zodanige beperkingen dat deze haar beletten haar eigen arbeid te verrichten. De in beroep overgelegde informatie van de huisarts van 27 maart 2013 en van de oogarts prof. dr. M.P. Mourits van 8 oktober 2013 (waaruit naar voren komt dat appellante na de operatie ook de instructie heeft gekregen om niet te bukken en/of te tillen) bieden daarvoor geen grond. In zijn rapport van 23 november 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat op 14 december 2012 geen sprake was van arbeidsongeschiktheid in de zin van de ZW, omdat de maatstaf arbeid binnen de medische mogelijkheden van appellante ligt. Dit standpunt wordt onderschreven. Wat appellante in hoger beroep en ter zitting heeft aangevoerd, geeft geen reden voor een ander oordeel.

4.5.

Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, zij het met verbetering van de gronden, zal worden bevestigd.

5. Gelet op de omstandigheid dat pas in hoger beroep de juiste maatstaf arbeid voor appellante is vastgesteld, is er aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. De kosten van rechtsbijstand in beroep en hoger beroep worden begroot op een bedrag van

€ 1984,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1984,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep

vergoedt tot een bedrag van € 162,-.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2016.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) L.L. van den IJssel

AP