Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:564

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
14/2695 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening ouderdomspensioen naar de norm van gehuwde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2695 AOW

Datum uitspraak: 19 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

1 april 2014, 13/4323 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats], Spanje (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.J. Stapel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2016. Appellante is daar verschenen bij mr. T.J. Stapel. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.F. Sturmans.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellante, geboren 27 september 1945, is ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) een ouderdomspensioen toegekend naar de norm voor een ongehuwde.

1.2.

Naar aanleiding van de melding van appellante dat zij vanaf 1 april 2013 gaat samenwonen met de Schotse heer [naam M], geboren [in] 1938, heeft de Svb bij besluit van 7 maart 2013 het aan appellante toegekende ouderdomspensioen wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met ingang van mei 2013 herzien naar een ouderdomspensioen naar de norm voor een gehuwde.

1.3.

Tegen het besluit van 7 maart 2013 heeft appellante bezwaar gemaakt. Dit bezwaar heeft de Svb bij besluit van 24 juni 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de toegepaste wettelijke regeling van dwingendrechtelijke aard is en dat de Svb in beginsel niet van deze regeling kan afwijken. Van een dusdanig bijzonder geval dat strikte toepassing van de wettelijke regeling in die mate in strijd komt met het ongeschreven recht dat die toepassing geen rechtsplicht meer kan zijn, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

3. In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er in dit geval geen sprake is van een bijzondere situatie op grond waarvan moet worden afgeweken van de toegepaste wettelijke regeling. Een strikte toepassing van de AOW pakt volgens appellante in haar situatie onredelijk uit. Appellante heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat zij in Spanje samenwoont en dat haar partner slechts een pensioen heeft van ongeveer € 300,- per maand, waardoor hij niet de helft van de kosten van hun gezamenlijke huishouding voor zijn rekening kan nemen.

4.1.

De Raad oordeelt als volgt.

4.2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel berust. Opgemerkt wordt nog dat het de rechter op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet vrijstaat de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen. Verder wordt verwezen naar constante rechtspraak van de Raad waarbij is aangesloten bij het oordeel van de Hoge Raad, inhoudende dat artikel 120 van de Grondwet (mede) een verbod inhoudt om wetten in formele zin, zoals in dit geval de AOW, te toetsen aan algemene rechtsbeginselen en dat de rechter niet mag treden in een belangenafweging die reeds door de wetgever is verricht of geacht moet worden te zijn verricht (zie het Harmonisatiewetarrest van de Hoge Raad van 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725). Van in aanmerking te nemen “niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden”, welke volgens diezelfde rechtspraak aanleiding kunnen vormen strikte wetstoepassing achterwege te laten, is in dit geval niet gebleken.

4.2.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellante faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2016.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) R.L. Rijnen

NK