Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:556

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
14/6637 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:9069, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor zover de aanvraag wegens toename van arbeidsongeschiktheid van 21 januari 2014 eveneens ziet op de periode vanaf de intrekking van de uitkering per 5 oktober 1993, dient deze te worden opgevat als verzoek om terug te komen van het in rechte vaststaande besluit van 24 augustus 1993. geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/88
USZ 2016/133
SZR-Updates.nl 2016-0148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6637 WAO

Datum uitspraak: 19 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

7 november 2014, 14/3068 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Carels, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 6 januari 2015 heeft mr. A. Wintjes, advocaat, te kennen gegeven de behandeling van de zaak over te hebben genomen van mr. Carels en zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 17 december 2015 heeft mr. Wintjes te kennen gegeven de behandeling van de zaak met ingang van 15 januari 2016 over te dragen aan zijn collega mr. I. Aynan, advocaat, met het verzoek mr. Aynan aan te merken als opvolgend gemachtigde.

Bij brief van 31 december 2015 heeft appellant nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2016. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is in juni 1991 uitgevallen voor zijn werk wegens polsklachten. Per 30 juni 1992 is hem een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 24 augustus 1993 is de

WAO-uitkering met ingang van 5 oktober 1993 ingetrokken. Appellant heeft geen rechtsmiddelen ingesteld tegen dit besluit.

1.2.

Op 21 februari 1996 heeft appellant te kennen gegeven dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 5 oktober 1993 onjuist is vastgesteld door het Uwv. Bij besluit van 25 april 1996 heeft het Uwv meegedeeld aan appellant hierin geen aanleiding te zien om terug te komen van het besluit van 24 augustus 1993 omdat geen sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden. Het door appellant ingestelde beroep is ongegrond verklaard. Er is geen hoger beroep ingesteld.

1.3.

Op 19 oktober 2004 heeft appellant aangegeven dat sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid sinds 27 december 1996. Bij besluit van 28 januari 2005 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid na

27 december 1996 en dat daarom geen WAO-uitkering wordt toegekend. Het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard, evenals het vervolgens ingestelde beroep. Bij uitspraak van 22 februari 2008 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd (ECLI:NL:CRVB:2008:BC4968). Hiertoe heeft hij overwogen dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat geen sprake is van toename van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 43a van de WAO sinds 27 december 1996.

1.4.

Bij brief van 21 januari 2014 heeft appellant wederom aangegeven dat sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Ter onderbouwing heeft hij een brief van zijn huisarts, gedateerd 12 april 2013, ingediend, met een overzicht van de ziektegeschiedenis sinds 1991. Bij besluit van 4 maart 2014 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat niet is gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden die ertoe leiden dat het besluit van 28 januari 2005, dat in rechte vaststaat, onjuist is. Daarom ziet het Uwv geen aanleiding om terug te komen van het besluit van 28 januari 2005. Bij beslissing op bezwaar van 17 april 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij allereerst overwogen dat, nu aannemelijk is dat appellant niet is benadeeld vanwege het uitblijven van een hoorzitting in bezwaar, de schending van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt gepasseerd onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Voorts heeft zij overwogen dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is op grond van artikel 4:6, eerste lid van de Awb nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat een duuraanspraak in geding is. Daarom ziet de rechtbank aanleiding bij de wijze van toetsing een onderscheid te maken tussen de periode voorafgaande aan de aanvraag van 21 januari 2014 en de periode daarna. Wat betreft de periode voorafgaande aan de aanvraag heeft appellant naar het oordeel van de rechtbank geen nieuwe feiten en/of omstandigheden naar voren gebracht in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Daarom kan niet gezegd worden dat het Uwv niet in redelijkheid kon weigeren terug te komen van het besluit van 28 januari 2005. Wat betreft de periode volgend op de aanvraag is de rechtbank van oordeel dat het Uwv evenmin gehouden was van het besluit van 28 januari 2005 terug te komen, nu niet is gebleken dat met dit besluit eventuele aanspraken van appellant zijn miskend.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de schending van artikel 7:2 van de Awb heeft gepasseerd, omdat het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure vormt. Verder is aangevoerd dat het Uwv ten onrechte bij het bestreden besluit niet heeft bezien of sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden die moeten leiden tot herziening van het oorspronkelijke intrekkingsbesluit van 24 augustus 1993. Ook had het Uwv moeten bezien of sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid wegens nieuwe (ook verzekerde) klachten over de periode na 5 oktober 1993. Ten slotte had het Uwv moeten beoordelen of over de periode vanaf de aanvraag van 21 januari 2014 sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

4.1.

De Raad komt tot de volgende overwegingen.

4.2.

Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat de schending van artikel 7:2 van de Awb gepasseerd kan worden nu niet is gebleken dat appellant hierdoor is benadeeld. Appellant heeft immers in bezwaar de gronden telefonisch nader toegelicht en ook in beroep en hoger beroep afdoende gelegenheid gehad voor aanvulling van de gronden en hiervan overigens ook gebruik gemaakt.

4.3.

Uit de aanvraag van 21 januari 2014 valt op te maken dat appellant van mening is dat hij sinds oktober 1993 te kampen heeft met meer beperkingen dan destijds zijn aangenomen door het Uwv, waarbij hij met name wijst op nieuwe ziektebeelden die in 2009 en 2012 zijn ontstaan. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft hij een brief van zijn huisarts ingediend met een kort overzicht van aandoeningen sinds 1991. Nu op de eerdere aanvraag wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid reeds was beslist met het in rechte vaststaande besluit van 28 januari 2005, heeft het Uwv bij het bestreden besluit terecht het standpunt ingenomen dat appellant met zijn huidige aanvraag (tevens) verzoekt om terug te komen van het besluit van 28 januari 2005. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat niet gezegd kan worden dat het Uwv in redelijkheid niet kon weigeren om terug te komen van dit besluit wat betreft de periode vanaf december 1996 tot aan de datum van de aanvraag van 21 januari 2014, aangezien appellant, met de uiterlijk in de bezwaarfase ingediende stukken, geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Evenmin heeft appellant, uiterlijk in de bezwaarfase, feiten en omstandigheden naar voren gebracht die, hoewel geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, aanleiding moesten geven tot nader onderzoek door het Uwv en konden bijdragen aan de overtuiging en het oordeel van de bestuursrechter dat het besluit van 28 januari 2005 niet kan worden gehandhaafd voor zover het gaat om eventuele aanspraken vanaf de datum van indiening van de aanvraag van 21 januari 2014. Terecht heeft de rechtbank dan ook overwogen dat het Uwv evenmin gehouden was om terug te komen van het besluit van

28 januari 2005 wat betreft eventuele aanspraken vanaf 21 januari 2014.

4.4.

Voor zover de aanvraag wegens toename van arbeidsongeschiktheid van 21 januari 2014 eveneens ziet op de periode vanaf de intrekking van de uitkering per 5 oktober 1993, dient deze te worden opgevat als verzoek om terug te komen van het in rechte vaststaande besluit van 24 augustus 1993. Appellant heeft, uiterlijk in de bezwaarfase, evenmin nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die het Uwv aanleiding zouden hebben moeten geven tot herziening van het besluit van 24 augustus 1993. Van een toereikende motivering uiterlijk in de bezwaarfase, anders dan in de vorm van nieuwe feiten of omstandigheden, van de onjuistheid van dit besluit, die nader onderzoek naar eventuele aanspraken voor de toekomst zou rechtvaardigen, is evenmin sprake. Het hoger beroep slaagt in zoverre dan ook evenmin.

4.5.

Voor zover de melding van 21 januari 2014 bedoeld is als een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid vanwege nieuwe ziektebeelden sinds 2009, 2012 en 21 januari 2014 kan de Raad zich vinden in het standpunt van het Uwv, dat appellant sinds 5 oktober 1993 niet meer verzekerd is voor de WAO.

4.6.

Gelet op de overwegingen 4.2 tot en met 4.5 slaagt het hoger beroep niet.

4.7.

Voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en P. Vrolijk en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2016.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) J.W.L. van der Loo

UM