Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:555

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2016
Datum publicatie
25-02-2016
Zaaknummer
13/1352 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering o.g.v. de Wet WIA, per latere datum wel volledig en duurzaam arbeidsongeschiktheid. Eerst in hoger beroep juiste medische en arbeidskundige onderbouwing gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1352 WIA

Datum uitspraak: 19 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

29 januari 2013, 12/1149 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.Tj. van Dalen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2014. Namens appellante is verschenen mr. Van Dalen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

De Raad heeft als onafhankelijk deskundige benoemd neuroloog dr. J.W. Stenvers, die op

28 juli 2015 rapport heeft uitgebracht.

Appellante heeft haar zienswijze op het deskundigenrapport gegeven. Het Uwv heeft naar aanleiding van het deskundigenrapport onder meer een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 september 2015 en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 21 september 2015 ingebracht.

Appellante heeft een reactie ingebracht onder overlegging van een rapport van de arbeidsdeskundige van 21 januari 2015.

Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als bejaardenhelpster. Op 26 april 2010 heeft zij zich ziek gemeld voor haar werk in verband met psychische en lichamelijke klachten.

1.2.

Bij besluit van 26 april 2012 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij per

27 april 2012 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.3.

Bij bestreden besluit van 3 oktober 2012 heeft het Uwv het tegen het besluit van

26 april 2012 ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor de conclusie dat in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onvoldoende beperkingen zijn opgenomen. De rechtbank is verder van oordeel dat het Uwv de geduide functies op goede gronden heeft gebruikt voor de schatting.

3. In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat haar belastbaarheid is overschat. Appellante heeft ter ondersteuning van dit standpunt bij brief van 12 juni 2013 een aantal (medische) stukken ingebracht.

4.1.

Op verzoek van de Raad heeft neuroloog dr. J.W. Stenvers de Raad als onafhankelijk deskundige van verslag en advies gediend. In zijn rapport van 28 juli 2015 heeft de deskundige te kennen gegeven dat hij zich niet kan verenigen met de door het Uwv vastgestelde FML. In verband met de aangeboren spierziekte acht de deskundige bij appellante aanvullende beperkingen aanwezig. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 16 september 2015 vermeld dat hij zich kan vinden in de door de deskundige voorgestelde aanvullende beperkingen en heeft de FML op meergenoemde datum aangepast. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 21 september 2015 toegelicht dat na raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem is gebleken dat van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies er voldoende functies resteren die appellante met haar beperkingen kan verrichten.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat de FML van 16 september 2015 niet overeenkomstig de bevindingen van de deskundige is opgesteld. Uit het deskundigenrapport moet volgens appellante geconcludeerd worden dat zij niet in staat is om welke functie dan ook te verrichten. Voorts wordt erop gewezen dat de beoordeling van de belastbaarheid per de datum in geding niet strookt met het feit dat het Uwv appellante per 24 november 2014 alsnog volledig arbeidsongeschikt heeft geacht.

5.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2.

Voorop wordt gesteld dat, gelet op het onder 4.2 verwoorde standpunt van appellante, tussen partijen in geding is of het Uwv de bevindingen, zoals die uit het deskundigenrapport van 28 juli 2015 blijken, op juiste wijze heeft vertaald in de FML van 16 september 2015. Op zichzelf is niet in geschil de juistheid van de visie van de deskundige. De Raad is overigens van oordeel dat het deskundigenrapport blijk geeft van een zorgvuldig onderzoek en inzichtelijk en consistent is. Het daarin omschreven oordeel over de beperkingen van appellante wordt dan ook gevolgd.

5.3.

Het standpunt van appellante dat zij in het geheel geen arbeid kan verrichten vindt geen steun in het deskundigenrapport. De deskundige is namelijk niet tot die conclusie gekomen en ook overigens kan dat niet uit het deskundigenrapport worden afgeleid. De deskundige heeft uitsluitend geconcludeerd dat hij zich niet kan verenigen met de FML, omdat er bij appellante meer beperkingen aanwezig zijn. Zij wordt aanvullend licht beperkt geacht op de aspecten frequent reiken, frequent buigen, duwen of trekken, tillen of dragen en het frequent zware lasten hanteren. Op de aspecten lopen tijdens het werk, trappenlopen, klimmen en staan tijdens het werk wordt appellante beperkt geacht. Aan de psychische klachten wordt volgens de deskundige in de FML voldoende tegemoet gekomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door de deskundige weergegeven aanvullende beperkingen vervolgens op juiste wijze vertaald in de FML van 16 september 2015, nu alle door de deskundige genoemde beperkingen zijn overgenomen.

5.4.

Ook de stelling dat appellante per 24 november 2014 volledig arbeidsongeschikt is geacht leidt niet tot het oordeel dat daar op de datum in geding, te weten 27 april 2012, eveneens sprake van was. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

21 januari 2015 blijkt appellante op arbeidskundige gronden volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is geacht. Ook blijkt daaruit dat de verzekeringsarts, na een melding toegenomen klachten van 24 november 2014, tot de conclusie is gekomen dat per laatstgenoemde datum sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. Hieruit kunnen echter geen conclusies worden getrokken over de datum die in deze procedure aan de orde is.

5.5.

Het Uwv heeft in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

21 september 2015 de geschiktheid van de voor appellante geselecteerde functies nader toegelicht. Er zijn geen aanknopingspunten om de conclusie van deze arbeidsdeskundige, dat de belasting die is verbonden aan de resterende functies die bij de schatting in aanmerking zijn genomen de voor appellante vastgestelde belastbaarheid niet overschrijdt, niet juist te achten.

6. Nu pas in hoger beroep een juiste medische en arbeidskundige onderbouwing is gegeven voor het bestreden besluit dient de aangevallen uitspraak, evenals het bestreden besluit, te worden vernietigd. Gelet op de uitkomst van het arbeidskundig onderzoek van

21 september 2015 is er aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

7. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep en op € 1.488,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.480,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 3 oktober 2012;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.480,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2016.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) R.L. Rijnen

AP