Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:553

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
14/6734 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetting loongerelateerde WGA-uitkering in een WGA-vervolguitkering op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. In overwegende mate een herhaling van gronden in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6734 WIA

Datum uitspraak: 19 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

28 oktober 2014, 14/250 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.S. Slinkman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Slinkman. Tevens is als tolk meegekomen [naam tolk], zwager van appellant. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker/ vorkheftruckchauffeur in een omvang van 44 uur per week. Op 9 februari 2010 is hij uitgevallen wegens rugklachten. Bij besluit van 28 december 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 7 februari 2012 recht heeft op een loongerelateerde

WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 70,22%. Deze uitkering wordt toegekend tot 7 augustus 2013.

1.2.

Bij besluit van 27 mei 2013 is deze loongerelateerde WGA-uitkering, zonder medische en arbeidskundige beoordeling, met ingang van 7 augustus 2013 omgezet in een

WGA-vervolguitkering op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

1.3.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en daarbij onder meer gesteld dat hij 80 tot 100% arbeidsongeschikt is als gevolg van toegenomen lichamelijke (pijn)klachten en psychische klachten. Appellant heeft ondragelijke pijn aan de rug waardoor hij verplicht is medicatie te nemen. Deze medicijnen veroorzaken duizeligheids- en concentratieklachten. Voorts heeft appellant een brief van I-Psy van 12 december 2012 overgelegd. Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant alsnog laten beoordelen door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige en na de hoorzitting door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De verzekeringsartsen hebben beiden na onderzoek geconcludeerd dat appellant onveranderd belastbaar is volgens de bij de eerste WIA-beoordeling opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 december 2011. De FML is vervolgens geactualiseerd op

5 september 2013 waarin de vastgestelde beperkingen zijn neergelegd. De arbeidsdeskundige heeft met de FML functies geselecteerd op basis waarvan het verlies aan verdiencapaciteit is vastgesteld op 70,64%, waardoor appellant ingedeeld blijft in de arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80%.

1.4.

Bij besluit van 29 november 2013 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1.

In de aangevallen uitspraak is daartoe overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is geweest. Beide artsen hebben appellant gezien en gesproken en hebben appellant lichamelijk en psychisch onderzocht. Voorts is dossierstudie verricht en is informatie van I-Psy betrokken en meegewogen. Het standpunt van appellant dat het onderzoek slechts beperkt is geweest tot een vergelijking met de eerdere FML treft geen doel. De verzekeringsarts heeft op basis van eigen onderzoek beperkingen vastgesteld en heeft deze neergelegd in een FML van 5 september 2013.

2.2.

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts opgestelde FML van 5 september 2013. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de artsen de klachten aan de rug in aanmerking hebben genomen en daartoe beperkingen hebben vastgesteld. Appellant heeft ten aanzien hiervan geen gegevens overgelegd die aanleiding geven tot twijfel. Voor de psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep genoegzaam gemotiveerd waarom dit niet tot aanpassing van de FML leidt. Appellant heeft over zijn psychische klachten, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, geen medische stukken overgelegd.

2.3.

Tot slot heeft de rechtbank, ervan uitgaande dat met de in de FML van 5 september 2013 voor appellant vastgelegde beperkingen de medische grondslag van het bestreden besluit als deugdelijk kan worden aangemerkt, zich ook kunnen verenigen met het standpunt van het Uwv dat appellant met ingang van de datum in geding in staat was te achten tot het verrichten van de werkzaamheden die behoren bij de functies die bij de onderhavige schatting in aanmerking zijn genomen.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep onveranderd op het standpunt gesteld dat het Uwv een onzorgvuldig onderzoek heeft verricht. Er is een te marginaal onderzoek geweest omdat de verzekeringsarts zich heeft beperkt door de situatie te vergelijken met de FML in 2011. De FML doet geen recht aan de klachten van appellant. Zowel de fysieke als de psychische klachten zijn onderschat. Appellant is voor zijn fysieke klachten onder behandeling van de huisarts. Met betrekking tot de psychische klachten heeft appellant psychische ondersteuning gehad van een psycholoog. Dit is in verband met zijn financiƫle situatie gestopt. De verzekeringsartsen zijn ten onrechte voorbij gegaan aan het effect en bijwerkingen van de medicatie. Ook de rechtbank is hieraan ten onrechte voorbij gegaan. Dit maakt dat getwijfeld moet worden aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. Tot slot overschrijden de geselecteerde functies gelet op hun belasting de belastbaarheid van appellant.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat appellant in hoger beroep heeft gesteld over zijn belastbaarheid vormt in overwegende mate een herhaling van wat in beroep en bezwaar naar voren is gebracht. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De verzekeringsartsen hebben zorgvuldig onderzoek verricht, waarbij zij anamnese hebben afgenomen, dossierstudie hebben verricht en appellant lichamelijk en psychisch hebben onderzocht. De verzekeringsarts heeft appellant geschikt geacht voor rugsparend werk met afwisseling tijdens zitten en waarbij langdurige gedwongen houdingen of standen vermeden dienen te worden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 1 november 2013 inzichtelijk gerapporteerd waarom hij geen argumenten heeft gezien om meer beperkingen voor de rugklachten aan te nemen. Verder heeft deze arts uiteengezet waarom de aangegeven psychische klachten van appellant geen reden vormen om beperkingen aan te nemen. De grond dat aan het effect en bijwerkingen van de medicatie voorbij is gegaan, slaagt evenmin. Uit het rapport van 5 september 2013 blijkt dat de verzekeringsarts bekend was met de medicatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij rapport van 30 januari 2015 gemotiveerd uiteengezet waarom ten aanzien hiervan niet meer beperkingen zijn vastgesteld. In verband met medicatie is appellant wel beperkt geacht voor autorijden. Dat na onderzoeken door de verzekeringsartsen geconcludeerd wordt dat appellant onveranderd belastbaar is volgens de eerder vastgestelde FML, maakt niet dat het onderzoek marginaal, onzorgvuldig dan wel onvolledig is geweest is. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat het verzekeringsgeneeskundig oordeel waarop het Uwv zich baseert niet juist is, heeft appellant in hoger beroep geen nieuwe medische stukken overgelegd die doen twijfelen aan de juistheid van dat standpunt van het Uwv. Het vorenstaande betekent dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank dat de geselecteerde functies in medisch opzicht passend zijn voor appellant is juist.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van

N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2016.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) N. van Rooijen

NK