Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:549

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
14/5699 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uwv niet aannemelijk gemaakt dat met ingang van 7 april 2006 ten onrechte uitkering is verstrekt aan appellante. Dat appellante zich met opzet anders heeft voorgedaan dan op grond van haar medische toestand op moment van onderzoek in de rede lag, teneinde een WAO-uitkering te verkrijgen, door Uwv niet voldoende onderbouwd. Aan voorwaarden voor intrekking met terugwerkende kracht is niet voldaan. Uwv niet in gelegenheid gesteld opnieuw te beslissen op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5699 WAO

Datum uitspraak: 19 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

5 september 2014, 13/255 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.S.S. IJff, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. IJff. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.J.M.H. Lagerwaard.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft gewerkt als productiemedewerkster. Met ingang van 16 april 1998 is aan haar een WAO-uitkering toegekend wegens klachten aan de rechterschouder. Later kwamen daar, blijkens het rapport van de verzekeringsarts van 15 juni 1999, depressieve klachten bij naar aanleiding van het verongelukken van haar broer in augustus 1998. Met ingang van

19 april 1999 is aan haar een volledige WAO-uitkering toegekend.

1.2.

In 2006 heeft een herbeoordeling plaatsgevonden. Tijdens het spreekuur bij verzekeringsarts drs. R.R. van Gelder (Van Gelder) op 7 april 2006 heeft appellante, volgens het rapport, geen woord gezegd. De verzekeringsarts heeft genoteerd: “Cliënte is zeer afwezig, mompelt af en toe, er is geen oogcontact, ze spreekt niet. Ze zakt voortdurend met haar hoofd naar beneden en lijkt te slapen. Verder geen enkele vraag zelf beantwoord. Ze maakt een gedrogeerde indruk.” Alle vragen zijn volgens het rapport beantwoord door de meegekomen begeleidsters, die te kennen hebben gegeven dat appellante alleenstaand is en weliswaar zelfstandig woont maar dat haar moeder en zussen permanent in huis zijn om haar te helpen met eten, aankleden, verzorging en huishouden. Volgens de door appellante overgelegde vragenlijst is sprake van paranoïde psychose en schizofrenie waardoor zij totaal afhankelijk is van anderen. Tevens is hierop vermeld dat zij voortdurend behandelingen ondergaat bij psychiater drs. S. Gülsaçan (Gülsaçan) en medicatie gebruikt.

1.3.

De verzekeringsarts heeft vervolgens aanleiding gezien om door psychiater

drs. J.J.D. Tilanus (Tilanus) een expertise te laten verrichten. Tilanus heeft appellante op

19 april 2006 onderzocht. Tijdens het onderzoek was appellante niet in staat om een gesprek aan te gaan en om antwoord te geven op de gestelde vragen. Daarom heeft Tilanus een

hetero-anamnese afgenomen bij haar begeleidster, tevens haar achternicht. Tilanus heeft genoteerd dat het gedrag van appellante tijdens het gesprek met haar achternicht een onecht en ostentatief aspect heeft. De contactname heeft naar zijn oordeel een wat oninvoelbaar en theatraal aspect. Volgens hem is niet sprake van aan een psychose congruent gedrag, er is vooral sprake van mutisme. Als tentatieve diagnose heeft hij geformuleerd: “(hysterisch-) regressieve zijnswijze na overlijden broer en meer recent een echtscheiding, mogelijk mede bepaald door transculturele achtergrond, waarbij differentiaal diagnostisch een psychologische noodzaak tot het aannemen van de ziekterol, een rouwreactie en ook een atypische reactieve psychotische stoornis, maar ook simulatie worden overwogen.” Tilanus heeft dan ook de diagnosestelling uitgesteld en als differentiële diagnoses nagebootste stoornis, dissociatieve stoornis niet anderszins omschreven, psychotische stoornis en simulatie overwogen”. Hij heeft aangedrongen op opname in een klinisch-psychiatrische setting, zo nodig na rechterlijke machtiging, ter nadere observatie van het beeld.

1.4.

De verzekeringsarts heeft vervolgens na een nieuw spreekuurcontact op 21 juni 2006 bij rapport van dezelfde datum geconstateerd dat nu een ernstige psychiatrische aandoening niet kan worden uitgesloten, maar simulatie evenmin, het dringende advies van Tilanus tot klinische opname dient te worden opgevolgd. De huisarts is verzocht klinische opname te realiseren.

1.5.

Vervolgens bevat het dossier een medisch/psychiatrische verklaring van psychiater Gülsaçan, gedateerd 4 oktober 2006, waaruit blijkt dat appellante naar hem is verwezen door huisarts drs. D. Rutgers wegens psychose, al dan niet als onderdeel van een melancholische depressieve stoornis. Gülsaçan geeft in deze brief tevens te kennen dat de acute noodzaak voor een klinische opname verantwoord, gelet op de zeer trouwe zorg van haar vangnetsysteem en de contra-indicatie wegens taalbarrière en weerstand bij appellante en haar omgeving tegen klinische opname, mag worden uitgesteld. De uitkering van appellante is vervolgens ongewijzigd voortgezet.

1.6.

Op 15 september 2008 heeft opnieuw spreekuurcontact plaatsgevonden met een andere verzekeringsarts waarbij appellante geen woord zei, zich passief gedroeg en op geen enkele wijze reageerde op de verzekeringsarts. Zij werd begeleid door een kennis die te kennen gaf dat er de afgelopen jaren niets is veranderd. De verzekeringsarts heeft informatie bij Gülsaçan opgevraagd maar kreeg geen reactie. De uitkering is ongewijzigd voortgezet bij besluit van

5 november 2008.

1.7.

In mei 2011 is appellante uitgenodigd voor een medisch heronderzoek, omdat er aanwijzingen waren dat haar belastbaarheid destijds op verkeerde gronden is ingeschat. Tijdens het spreekuur van verzekeringsarts drs. W. Blok (Blok) op 9 mei 2011 heeft deze verzekeringsarts geconstateerd dat zij op adequate wijze reageerde. Haar houding imponeerde het hele spreekuurcontact als defensief, afwerend en soms ook wat verongelijkt. De verzekeringsarts zag geen aanwijzingen voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek.

1.8.

Blok heeft vervolgens aanleiding gezien om psychiater drs. G.J.M. Gras (Gras) in te schakelen. Gras heeft bij expertiserapporten van 27 september 2011 en 26 oktober 2011 verslag gedaan van haar onderzoek en bevindingen. Bij rapport van 27 september 2011 is Gras gekomen tot de voorlopige diagnose chronische posttraumatische stressstoornis met verlaat begin, waarbij zij heeft genoteerd dat zij de indruk had dat er ook een functionele kant aan de klachten zit. Zij kon geen primair psychotische aandoening vaststellen. Gras heeft een klinische observatie van minimaal 2-4 weken noodzakelijk geacht vanwege de ver uiteenlopende diagnoses van verschillende instanties (psychiaters Gülsaçan, Tilanus, de huidige behandelaar aios psychiatrie P. Kantebeen en verzekeringsarts Blok). Vervolgens is zij bij het latere rapport van 26 oktober 2011 teruggekomen van haar diagnose, nadat zij de beschikking had gekregen over de rapporten van Tilanus van 17 mei 2006 en het rapport van Van Gelder van 7 april 2006 met aanvraagbrief psychiatrische expertise. Door deze stukken is bij Gras de indruk ontstaan dat appellante de mate van haar klachten heeft aangezet, mogelijk met culturele aspecten. Gras heeft de indruk dat het aannemelijk is dat sprake is van simulatiestoornis, nagebootste stoornis en/of theatrale persoonlijkheidsstoornis, waarbij zij gestagneerde rouw invoelbaar acht in de vorm van rouwreactie en/of aanpassingsstoornis met gemengd angstig en depressieve stemming. Voor uiteindelijke diagnostiek acht zij klinische observatie noodzakelijk, eventueel in de vorm van gedwongen opname.

1.9.

Vervolgens heeft Blok en dr. drs. L.E.E. Ligthart (Ligthart), klinisch psycholoog en klinisch neuropsycholoog, ingeschakeld. Deze heeft bij rapport van 30 december 2011 verslag gedaan van zijn bevindingen en conclusies naar aanleiding van psychologisch onderzoek. Ligthart heeft genoteerd dat appellante zich matig coöperatief heeft opgesteld tijdens het gesprek, in tegenstelling tot het testonderzoek, waar ze uiterst traag werkt en uiteindelijk aangeeft niet meer dan een vragenlijst te willen invullen ten behoeve van het persoonlijkheidsonderzoek. Uit een drietal afgenomen symptoomvaliditeitstests blijkt volgens Ligthart van onderpresteren en aggravatie. Hij heeft geconcludeerd dat op basis van de inconsistenties bij de klinische presentatie tijdens het onderzoek, de analyse van het testmateriaal en de overige beschikbare informatie het sterke vermoeden bestaat dat appellante geen echte, of in ieder geval zeer sterk overdreven psychische problemen presenteert, wat de kenmerken zijn van simulatie. Hij kan geen psychiatrisch ziektebeeld vaststellen en acht simulatie een mogelijkheid. Daarnaast stelt hij een diagnose ten aanzien van een persoonlijkheidsstoornis uit en acht theatrale persoonlijkheidsproblematiek mogelijk.

1.10.

Blok concludeert vervolgens op basis van de eigen onderzoeksbevindingen, de rapporten van Tilanus in 2006 en van Gras en Ligthart dat er thans geen sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld, noch op 7 april 2006, noch tijdens zijn onderzoek op 9 mei 2011. Wel is er aanleiding beperkingen ten aanzien van de rechterschouder aan te nemen. Hiertoe is een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, gedateerd 3 januari 2012 en geldig vanaf 6 april 2006. De arbeidsdeskundige is vervolgens tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van 7 april 2006 in staat moest worden geacht om met passende werkzaamheden meer dan 85% van het maatmaninkomen te verdienen.

1.11.

Bij besluit van 23 januari 2012 heeft het Uwv vervolgens het besluit van

5 november 2008, waarbij was besloten tot ongewijzigde voortzetting van de uitkering naar aanleiding van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek gestart op 7 april 2006, ingetrokken. Hierbij heeft het Uwv overwogen dat destijds de belastbaarheid op verkeerde gronden is ingeschat, hetgeen mede het gevolg is van het door appellante onjuist, dan wel onvolledig weergeven van haar gezondheidstoestand. De uitkering is met ingang van 7 april 2006 ingetrokken omdat zij met ingang van die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.12.

Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 25 mei 2012 ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat appellante de informatieplicht van artikel 80 van de WAO niet behoorlijk is nagekomen doordat zij tijdens de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken op 7 april 2006, 21 juni 2006 en 15 september 2008 de verzekeringsarts door haar handelen en presentatie (aangevuld door verklaringen van begeleiders) onjuist heeft geïnformeerd over haar medische situatie. Het door haar opgeroepen beeld werd bevestigd door de informatie van psychiater Gülsaçan, welke informatie, zo stelt het Uwv, niet kan worden gezien als een betrouwbare weergave van haar medische situatie. Op grond van artikel 36a van de WAO is het besluit van 5 november 2008 terecht ingetrokken nu als gevolg van het niet behoorlijk nakomen van artikel 80 van de WAO ten onrechte uitkering is verstrekt aan appellante sinds 7 april 2006. Op grond van het beleid van het Uwv (Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006) is de uitkering ingetrokken met terugwerkende kracht tot en met de dag waarop de uitkering ten onrechte is verstrekt, aangezien door toedoen van appellante ten onrechte uitkering is verstrekt of in ieder geval sprake was van een situatie dat appellante redelijkerwijs kon weten dat zij ten onrechte een uitkering ontving, waardoor met intrekking met terugwerkende kracht ernstig rekening moest worden gehouden.

1.13.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat de bevindingen en conclusies van de verschillende verzekeringsartsen, psychiaters Tilanus en Gras en psycholoog Ligthart, in onderlinge samenhang bezien, een voldoende overtuigende grondslag bieden voor het standpunt van het Uwv dat bij appellante per 7 april 2006 geen sprake was van een psychiatrische ziekte of gebrek. Het Uwv heeft zich dan ook terecht, naar het oordeel van de rechtbank, op het standpunt gesteld dat appellante per 7 april 2006 minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Terecht ook heeft het Uwv zich, volgens de rechtbank, op het standpunt gesteld dat appellante het Uwv onjuiste informatie heeft verstrekt over haar medische situatie, doordat zij een ernstige psychiatrische aandoening heeft gesimuleerd. Het Uwv was dan ook gehouden om de uitkering van appellante in te trekken, bij gebreke van dringende redenen om van intrekking af te zien.

2. Appellante heeft in hoger beroep betwist dat zij heeft gesimuleerd. Verder heeft zij aangevoerd dat in het geheel aan medische gegevens teveel contra-indicaties zijn om te oordelen dat er vanaf 7 april 2006 tot op heden geen sprake zou zijn van een psychische ziekte of gebrek. Er is wisselend gedacht over de psychische beperkingen van appellante door verschillende psychiaters. Ten onrechte hebben verzekeringsarts Blok noch de rechtbank de rapportage van de haar in 2011 behandelende psychiaters Kantebeen en Van Bree meegenomen in de beoordeling. Deze psychiaters hebben appellante inmiddels doorverwezen naar GGzE (centrum psychotische stoornissen) voor behandeling van een chronisch psychotisch beeld. Zij is hier tot en met 19 december 2013 in behandeling geweest. Appellante heeft informatie van psychiaters Kantebeen en Van Bree, de GGzE, een huisartsenjournaal en een recepthistorie van de apotheek overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt dat geen sprake is (geweest) van simulatie. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat intrekking van de uitkering met terugwerkende kracht tot 7 april 2006 in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

3.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Toetsingskader: algemeen

3.2.1.

Op grond van artikel 80, eerste lid, van de WAO is degene die aanspraak maakt op of in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, verplicht om aan het Uwv - op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging - mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn, dat die van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, te verstrekken.

3.2.2.

In artikel 36a, eerste lid en aanhef van de WAO is bepaald dat het Uwv een beschikking op grond van deze wet herziet of intrekt:

b. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25,

28 of 80 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;

c. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

d. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25,

28 of 80 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.

Op grond van het tweede lid kan het Uwv geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

3.3.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:2011) van de Raad is intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In uitzonderingsgevallen is van strijd met dat beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen en/of het ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverschaffing door de betrokkene, terwijl de uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien zij destijds wel de juiste feiten had gekend.

3.4.

Artikel 3 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van 17 oktober 2006 (Stcrt. 2006, 230), bepaalt tot en met welke dag intrekking of herziening van uitkering met terugwerkende kracht plaatsvindt indien door toedoen van de verzekerde (als gevolg van het niet nakomen van een inlichtingenverplichting of een medewerkingsverplichting) ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt dan wel het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Voorts is geregeld tot en met welke dag intrekking of herziening plaatsvindt voor de situatie dat geen sprake is van toedoen of van een niet-nakoming van een verplichting maar het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn en bij samenloop van een of meer eerdergenoemde situaties.

3.5.

Bij een belastend besluit tot intrekking of herziening met terugwerkende kracht en tot terugvordering van wat aan uitkering is betaald, rust op het Uwv de verplichting om niet alleen de feiten te stellen waarop hij het bestreden besluit doet steunen, maar ook - in geval van betwisting - die feiten aannemelijk te maken (zie ook ECLI:NL:CRVB:2015:1295).

Wat is in dit geval gesteld?

3.6.

Het standpunt van het Uwv komt in de kern erop neer dat op grond van de in 2011 en 2012 verrichte onderzoeken door de verzekeringsartsen en de expertises van Gras en Ligthart is komen vast te staan dat appellante op 7 april 2006 in staat was om loonvormende arbeid te verrichten en tevens dat zij haar arbeidsongeschiktheid vanaf het onderzoek bij de verzekeringsarts op 7 april 2006 heeft voorgewend, in verband waarmee appellante het verwijt treft dat haar vanaf die datum ten onrechte uitkering is verstrekt als gevolg van schending van de in artikel 80 van de WAO neergelegde informatieverplichting.

Ten onrechte uitkering verstrekt?

3.7.

De door het Uwv ingeschakelde psychiater Gras heeft bij nader rapport van

26 oktober 2011, nadat zij de inhoud van de rapporten van Tilanus en verzekeringsarts

Van Gelder van 7 april 2006 tot zich had genomen, geconcludeerd dat appellante de mate van haar klachten heeft aangezet, mogelijk met culturele aspecten. Zij heeft het aannemelijk geacht dat sprake is van een simulatiestoornis of een nagebootste stoornis, waarbij zij heeft vermeld dat deze verschillen in het motief. Zij heeft echter geen uitsluitsel kunnen geven over het motief van appellante. Daarnaast acht zij ook mogelijk een aanpassingsstoornis aanwezig in de vorm van angst- of stemmingsklachten en eventueel een theatrale persoonlijkheidsstoornis. Hiermee heeft Gras, naar het oordeel van de Raad, niet geconcludeerd tot simulatie. Zij heeft een viertal differentiële diagnoses gesteld waarbij zij, mede gelet op het gegeven dat de diagnostiek bij de verschillende onderzoekers zo ver uiteenloopt, te kennen heeft gegeven dat een klinische opname met langdurige observatie noodzakelijk is om de uiteindelijke diagnostiek helder te krijgen.

3.8.

Ligthart heeft geen aanwijzingen kunnen vinden voor de aanwezigheid van een ernstige psychiatrische ziekte of gebrek, wel noemt hij simulatie een mogelijkheid. Een langer bestaand depressief gekleurd beeld met geagiteerde trekken acht hij mogelijk maar niet op het niveau van een posttraumatische stressstoornis. Bij Ligthart is het sterke vermoeden ontstaan dat appellante geen echte, of in ieder geval zeer sterk overdreven psychische problemen presenteert, wat de kenmerken zijn van simulatie. Echter, hij gaat hierbij niet nader in op het motief van appellante, waarover Gras twijfelde en wat voor haar (onder meer) aanleiding was voor nadere klinische observatie. De door Ligthart geconstateerde inconsistenties en neiging tot onderpresteren en bij het testonderzoek vormen onvoldoende onderbouwing voor de diagnose van simulatie en dat blijkt ook uit zijn diagnosestelling waarin hij simulatie enkel als mogelijkheid noemt. De conclusies en bevindingen van Ligthart nemen de door Gras geconstateerde twijfel over de mogelijke diagnose(s) dan ook niet weg en vormen onvoldoende onderbouwing van de door de verzekeringsarts gestelde diagnose van simulatie.

3.9.

Door de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep is gewezen op de inconsistenties in het verhaal van appellante, met name ten aanzien van de behandeling bij Gülsaçan en de afbouw van haar medicatie. Ook is erop gewezen dat het vreemd is dat het ernstige psychiatrische beeld van mutisme met psychotische verschijnselen pas op haar 32ste ontstond, terwijl zij daarvoor normaal functioneerde en dat appellante, ondanks weinig intensieve behandeling, volledig van dit beeld herstelde. Wat er ook van deze omstandigheden zij, dit doet niet af aan het onder 3.7 en 3.8 overwogene. Gras en Ligthart hebben hun conclusies getrokken op basis van hun eigen bevindingen in combinatie met de voorhanden medische rapporten, waaronder de rapporten van de verzekeringsartsen. Zij hebben niet geconcludeerd dat sprake was van simulatie.

3.10.

Gelet op de overwegingen 3.7 tot en met 3.9 heeft het Uwv niet aannemelijk gemaakt dat met ingang van 7 april 2006 ten onrechte uitkering is verstrekt aan appellante. Niet voldoende is onderbouwd dat appellante met opzet, te weten met het doel een WAO-uitkering te verkrijgen, zich tijdens de onderzoeken door de verzekeringsartsen van het Uwv anders heeft voorgedaan dan op grond van haar medische toestand op dat moment in de rede lag. Hieruit volgt dat niet aan de voorwaarden om met terugwerkende kracht tot intrekking te besluiten is voldaan. Het bestreden besluit kan dan ook niet in stand kan blijven. De Raad zal zowel de aangevallen uitspraak als het bestreden besluit vernietigen. Gelet op het aantal en de omvang van de uitgevoerde onderzoeken en het tijdsverloop wordt het Uwv niet in gelegenheid gesteld opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante. De Raad zal het besluit van 23 januari 2012 herroepen.

3.11.

Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 496,- in bezwaar (1 punt), op € 1.240,- in beroep

(1 punt voor het beroepschrift en 1,5 punt voor de zittingen) en op € 992,- in hoger beroep

(1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting), in totaal € 2.728,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 25 mei 2012;

  • -

    herroept het besluit van 23 januari 2012;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.728,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde grifffierecht

van in totaal € 164,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2016.

(getekend) E. Dijt

(getekend) L.H.J. van Haarlem

NK