Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:540

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-02-2016
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
14-3689 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante heeft drie meldingen aan Uwv gedaan. Per 1 september 2011 geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Op basis van de aanwezige gegevens Uwv niet gehouden terug te komen van het besluit waarbij de WIA-uitkering per 4 augustus 2012 is geëindigd. Geen toegenomen beperkingen per 14 mei 2012.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3689 WIA

Datum uitspraak: 10 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank [woonplaats] van

23 mei 2013, 13/3871 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Colgecen, advocaat, hoger beroep ingesteld en medische stukken overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 december 2014 ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 december 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Colgecen. Het Uwv heeft zich niet doen vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als [naam functie A] en is op

7 december 2007 uitgevallen met psychische klachten en een huidaandoening. Bij besluit van 9 maart 2010 is appellante met ingang van 4 december 2009 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 21 juli 2011 heeft het Uwv, na een advies van 29 juni 2011 van een verzekeringsarts, appellante bericht dat als haar mate van arbeidsongeschiktheid niet wijzigt, haar loongerelateerde WGA-uitkering eindigt met ingang van 4 augustus 2012. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Op 8 april 2012 heeft appellante met het formulier “Wijzigingen doorgeven” het Uwv bericht dat per 1 september 2011 haar gezondheid is verslechterd. Bij brief van 10 mei 2012 laat appellante het Uwv weten het er niet mee eens te zijn dat haar uitkering binnenkort wordt beëindigd. Voorts heeft appellante bij wijzigingsformulier van 14 mei 2012 laten weten dat haar gezondheidssituatie is verslechterd.

1.3.

Op 26 september 2012 heeft appellante het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft geconcludeerd tot het opvragen van nadere informatie bij de behandelend sector over het aan zijn onderzoek voorafgaande jaar. Na de ontvangst van deze informatie komt hij in zijn rapport van 17 januari 2013 tot de conclusie dat de belastbaarheid van appellante als ongewijzigd dient te worden beschouwd ten opzichte van 29 juni 2011. Het Uwv heeft appellante bij besluit van 24 januari 2013 bericht dat appellante geen

WIA-uitkering kan krijgen, omdat haar belastbaarheid als ongewijzigd wordt beschouwd ten opzichte van die, weergegeven in het advies van 29 juni 2011. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv, na een advies van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, ongegrond verklaard bij besluit van 23 mei 2013 (bestreden besluit). Daaraan heeft het Uwv het standpunt ten grondslag gelegd dat de belastbaarheid van appellante sinds 29 juni 2011 niet is gewijzigd, noch per 1 september 2011, noch per een datum na 4 augustus 2012.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat de conclusie dat geen sprake is van nieuwe medische feiten of omstandigheden, die aanleiding geven tot herziening van het eerder ingenomen standpunt, gevolgd kan worden en heeft geen aanleiding gezien tot het inwinnen van advies van een deskundige. Voor zover appellante een verzoek heeft gedaan om terug te komen op het intrekkingsbesluit van 21 juli 2011 heeft de rechtbank overwogen dat geen sprake is van nova in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.1.

Appellante is van mening dat haar medische belastbaarheid ten opzichte van 29 juni 2011 is gewijzigd. Zo zijn er afwijkingen in haar rug die aanleiding geven voor het stellen van nieuwe beperkingen. Voorts is de rechtbank ten onrechte uitgegaan van oude rapporten. Uit meer recente rapporten blijkt dat de klachten van appellante chronisch van aard zijn. Ook haar psychische gesteldheid is verslechterd omdat zij op het moment van instellen van hoger beroep daarvoor in behandeling is.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vastgesteld wordt dat appellante drie meldingen heeft gedaan. De eerste melding van

8 april 2012 betreft een melding in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid per

1 september 2011. De brief van 10 mei 2012 strekt ertoe dat het Uwv terug komt van zijn besluit van 21 juli 2011. Appellante heeft daarmee beoogd dat de WIA-uitkering na

4 augustus 2012 wordt voortgezet. De melding van 14 mei 2012 betreft eveneens een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid.

4.2.1.

Wat betreft de melding toegenomen arbeidsongeschiktheid per 1 september 2011 overweegt de Raad als volgt.

4.2.2.

Blijkens het rapport van 26 september 2012 heeft de verzekeringsarts kennis genomen van het dossier en de door appellante geuite klachten. Deze arts heeft appellante psychisch en lichamelijk onderzocht. Hij komt tot de conclusie dat er naast huidafwijkingen geen evidente afwijkingen worden geconstateerd maar dat uit haar verhaal naar voren komt dat het afgelopen jaar sprake is geweest van een wisselend klachtenbeeld. Ook is sprake van spanningen voortkomend uit de thuissituatie en haar financiële situatie. De verzekeringsarts acht gezien de voorgeschiedenis en de huidige gegevens het opvragen van informatie over haar ziekte van het jaar voorafgaande aan zijn onderzoek van zodanig belang dat hij informatie heeft opgevraagd bij de huisarts. Na ontvangst daarvan is de verzekeringsarts in zijn rapport van 17 januari 2013 tot de conclusie gekomen dat gelet op de gegevens van de huisarts en het eigen onderzoek, geen duidelijke argumenten worden gevonden op basis waarvan de belastbaarheid zou moeten worden bijgesteld. De belastbaarheid wordt als ongewijzigd beschouwd ten opzichte van 29 juni 2011. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante eveneens gezien, uitgebreid dossierstudie gedaan en medische informatie van diverse behandelaars van appellante beoordeeld. In het rapport van

15 mei 2013 heeft deze arts de diagnosen spanningsklachten, psoriasis en overige gewrichtsklachten gesteld. Er is volgens deze arts geen sprake van nieuwe medische feiten en omstandigheden en appellante wordt daarom per 1 september 2011 belastbaar geacht conform de functionele mogelijkheden van 29 juni 2011.

4.2.3.

De adviezen van de artsen van het Uwv zijn gebaseerd op grondig onderzoek en in hun rapporten is overtuigend gemotiveerd dat er per 1 september 2011 geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

4.3.1.

Wat betreft het verzoek van 10 mei 2012 wordt als volgt overwogen.

4.3.2.

Dit verzoek strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 21 juli 2011 en dat de WIA-uitkering van appellante per 4 augustus 2012 wordt voortgezet. Dit besluit is onherroepelijk geworden. Volgens vaste rechtspraak is op een verzoek als dat van appellante artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing (uitspraak van 22 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1806).

4.3.3.

Aan de uitspraak van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1) wordt het volgende ontleend. Een bestuursorgaan is bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van dezelfde strekking wordt genomen, kan door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit in beginsel niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Bij een doorlopende (periodieke) aanspraak als hier aan de orde, moet voor de toetsing een splitsing worden aangebracht. Wat betreft de periode voorafgaande aan de aanvraag dient de bestuursrechter zich te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Feiten of omstandigheden waarvan zonder meer duidelijk is dat ze geen rol kunnen spelen bij het besluit worden niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden beschouwd. Voor de periode na de aanvraag moet het bestuursorgaan een belangenafweging maken en moet bij de bestuursrechter een minder terughoudende toetsing plaatsvinden. Het is met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging niet verenigbaar dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, in zulke gevallen blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen.

4.3.4.

Appellante heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht over haar medische situatie op 4 augustus 2012. De in hoger beroep overgelegde medische situatie ziet op haar medische situatie in 2014 en niet op 4 augustus 2012. De informatie van de huisarts uit 2012 was al bekend in de bezwaarfase en werpt evenmin een nieuw licht op deze zaak. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt voorts dat zij de medische situatie van appellante niet alleen op het moment van het hun onderzoek maar ook over een ruime periode voorafgaande aan het onderzoek grondig hebben onderzocht. Deze artsen hebben geconcludeerd dat er geen nieuwe medische informatie is die zou duiden op een andere belastbaarheid van appellante dan zoals die was vastgesteld op 29 juni 2011. Op basis van deze gegevens was het Uwv niet gehouden terug te komen van het besluit van 21 juli 2011, waarbij is bepaald dat de WIA-uitkering eindigt per 4 augustus 2012.

4.4.1.

Wat betreft de melding toegenomen arbeidsongeschiktheid van 14 mei 2012 wordt als volgt overwogen.

4.4.2.

In deze melding wordt geen datum genoemd waarop de beperkingen zouden zijn toegenomen. Voor zover appellante met deze melding niet mede het oog had op het voortzetten van de WIA-uitkering per 4 augustus 2012, maar op toegenomen beperkingen per 14 mei 2012, wordt het volgende overwogen. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt duidelijk dat de medische situatie van appellante in het jaar voorafgaande aan het onderzoek op 26 september 2012 is beoordeeld op basis van informatie van de behandelend sector, dossieronderzoek en eigen onderzoek. Dit betekent dat de conclusie in 4.3.4, dat de belastbaarheid van appellante niet is gewijzigd ten opzichte van 29 juni 2011, mede van toepassing kan worden geacht op de medische situatie van appellante op 14 mei 2012. Ook wat betreft de melding van 14 mei 2012 hebben de verzekeringsartsen dus een zorgvuldig onderzoek verricht.

4.5.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. Het Uwv heeft bij het bestreden besluit op juiste gronden beslist dat de belastbaarheid sinds 29 juni 2011 niet is gewijzigd, dat er geen sprake is van nieuwe medische feiten en omstandigheden en dat er geen aanleiding is terug te komen van het besluit van 21 juli 2011. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit dan ook terecht ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Bij deze stand van zaken is er geen ruimte om te komen tot een veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en E.W. Akkerman en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2016.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) L.L. van den IJssel

NK