Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:539

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
14-4295 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Spanningsklachten door onzekerheid betreffende de arbeidstoekomst. Geen recht meer op ziekengeld met ingang van 30 juli 2013.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4295 ZW

Datum uitspraak: 17 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 juni 2014, 13/3734 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.W.J. Raaijmakers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Raaijmakers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als [naam functie A] bij [naam werkgever] voor 38 uur per week. Zijn dienstverband is op 5 december 2011 beëindigd en aansluitend heeft hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen.

1.2.

Appellant heeft zich per 15 oktober 2012 ziek gemeld met psychische klachten. In verband met deze ziekmelding is appellant op 6 december 2012 op het spreekuur van de bedrijfsarts verschenen. In zijn rapport van 6 december 2012 heeft de bedrijfsarts vermeld dat appellant inmiddels 20 jaar in Nederland woont, afkomstig is uit Afghanistan, waar hij de nodige trauma’s heeft opgelopen, en dat de medische voorgeschiedenis van appellant een periode van arbeidsongeschiktheid kent als gevolg van PTSS. Een in verband daarmee gevolgd traject bij TopCare/Ciran heeft appellant in het voorjaar van 2011 afgebroken, omdat hij werk kreeg als [naam functie A]. Toen zijn tijdelijke contract na een half jaar niet werd verlengd, was er sprake van een zeer grote teleurstelling en het opleven van psychische klachten, slaapproblemen, paniekaanvallen, spanningsklachten en wisselende stemmingen, uiteindelijk resulterend in een ziekmelding per 15 oktober 2012. De huisarts van appellant heeft appellant een antidepressivum voorgeschreven en opnieuw verwezen naar TopCare voor het volgen van het Ciran-traject. De bedrijfsarts heeft appellant, die zich zeer schuldig voelde en absoluut wilde werken, dringend geadviseerd zichzelf wat rust te gunnen met solliciteren en het Ciran-traject helemaal te doorlopen.

1.3.

Na een spreekuurcontact op 15 april 2013, waarin de bedrijfsarts appellant nog ongeschikt achtte voor het verrichten van zijn arbeid wegens het volgen van het Ciran-traject, heeft appellant op 25 juni 2013 het spreekuur van de bedrijfsarts bezocht. Uit het rapport van de bedrijfsarts van 25 juni 2013 blijkt dat appellant teleurgesteld is in het Ciran-traject. Tijdens het spreekuur heeft appellant moeite zich te concentreren. De bedrijfsarts heeft verder vermeld dat appellant “wanhopig” overkomt, in die zin dat hij ieder werk lijkt aan te grijpen als het maar tot een vaste baan leidt. Na bespreking van de situatie van appellant in het teamoverleg met de re-integratiebegeleider en de arbeidsdeskundige heeft de bedrijfsarts appellant laten weten dat het duidelijk is dat appellant nog spanningsklachten ervaart ten gevolge van de onzekere arbeidstoekomst. Die spanningsklachten zijn volgens de bedrijfsarts niet van dien aard dat appellant nog langer arbeidsongeschikt is voor zijn laatste werk. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 1 juli 2013 vastgesteld dat appellant met ingang van

3 juli 2013 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.4.

Appellant heeft zich op 11 juli 2013 opnieuw ziek gemeld. Hoewel hij het aanvankelijk eens was met de hersteldverklaring per 3 juli 2013, heeft hij toch een terugslag ervaren. Bij besluit van 16 juli 2013 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij met ingang van

11 juli 2013 recht heeft op ziekengeld. Appellant heeft op 29 juli 2013 het spreekuur van de bedrijfsarts bezocht. De bedrijfsarts zag geen evidente toename van de klachten en de beperkingen en heeft appellant per 11 juli 2013 niet ongeschikt geacht voor het verrichten van zijn werk als [naam functie A]. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 29 juli 2013 vastgesteld dat appellant per 11 juli 2013 geen recht meer heeft op ziekengeld. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en informatie ingezonden van zijn huisarts en zijn behandelend psycholoog. De huisarts heeft in zijn brief van 18 september 2013 vermeld dat appellant hem bekend is met een depressie met vitale kenmerken van slecht slapen, angst en paniekaanvallen. De huisarts heeft melding gemaakt van de voorgeschreven medicatie en van een doorverwijzing naar PsyQ. De aan PsyQ verbonden GZ-psycholoog i.o. drs. J. Lutgens en klinisch psycholoog/psychotherapeut drs. B. Butz (psychologen) hebben in hun brief van

26 augustus 2013 aan de huisarts melding gemaakt van een depressieve stoornis, eenmalige episode, matig, niet psychotisch.

1.5.

De bedrijfsarts heeft naar aanleiding van het door appellant ingediende bezwaarschrift gereageerd en vermeld dat het met name de onzekerheid betreffende de arbeidstoekomst is, die bij appellant spanningsklachten veroorzaakt. De bedrijfsarts heeft beschreven dat hij na het teamoverleg tot een weloverwogen besluit is gekomen om appellant weer arbeidsgeschikt te achten. Het besluit tot verdere weigering van ziekengeld is voor appellant niet onverwacht gekomen en appellant was het eens met de in de begeleiding uitgezette koers tot het moment van hersteldmelding. Ten slotte heeft de bedrijfsarts gemeld dat hij van mening was en nog steeds is dat arbeid de gezondheidssituatie van appellant goed zal doen.

1.6.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep, die appellant heeft gezien op de hoorzitting en het daaropvolgende spreekuur, heeft in zijn rapport van 21 oktober 2013 de conclusie getrokken dat er in medisch opzicht geen overtuigende argumenten bestaan om het besluit van 29 juli 2013 als ontoereikend te moeten aanmerken. Daartoe heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat in het verleden is gebleken dat, ondanks de (mogelijk) psychotraumatische voorgeschiedenis, het klinische beeld bij arbeidsparticipatie verbeterde en in een werkloze situatie verslechterde. Hij acht het vanuit verzekeringsgeneeskundig oogpunt goed te verdedigen dat appellant zich gaat richten op werk, wat als een zinvolle dagbesteding bij uitstek kan worden beschouwd. Het Uwv heeft vervolgens het bezwaar van appellant bij besluit van 31 oktober 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

1.7.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een op zijn verzoek door de verzekeringsarts E.C. van der Eijk opgesteld rapport ingezonden. Van der Eijk heeft kennis genomen van de aanwezige medische stukken en appellant onderzocht. Appellant voldoet volgens Van der Eijk aan de criteria van de diagnose depressieve episode, conform het verzekeringsgeneeskundig protocol depressieve stoornis. De ernst van de depressieve stoornis wordt, gelet op de aanwezige symptomen in combinatie met het functioneren van appellant, als matig tot ernstig ingeschat. Een bevinding die aansluit bij de informatie uit de behandelend sector. Naar het oordeel van Van der Eijk heeft de bedrijfsarts de ernst van de psychische problematiek ernstig onderschat: een depressie is een veel ernstiger toestandsbeeld dan spanningsklachten, en is de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte niet tot een ander oordeel over de belastbaarheid van appellant gekomen. Van der Eijk is van mening dat appellant ten onrechte per 11 juli 2013 arbeidsgeschikt is verklaard in het kader van de ZW, omdat op meerdere aspecten sprake is van overschrijding van de belastbaarheid van appellant door werkbelastende factoren in de maatgevende arbeid. Als gevolg van zijn medische situatie is appellant beperkt voor taken die concentratie of besluitvaardigheid vergen, zoals het nemen van beslissingen en het opletten op de kluis, klanten en personeel. De beperking als gevolg van sociale angst is een knelpunt bij het leidinggeven aan medewerkers. Als gevolg van medicatiegebruik kan appellant ook niet autorijden. Van der Eijk heeft daaraan toegevoegd dat bij een depressieve stoornis (vrijwilligers)werk allerminst valt te ontraden, omdat het onder meer een zinvolle dagbesteding en afleiding kan bieden. Dat werk dient wegens de klachten en beperkingen echter passend/aangepast te zijn. Werk is dus zeker niet gecontraïndiceerd, maar in het kader van de ZW is dat niet het criterium waarop dient te worden beoordeeld, zoals de verzekeringsarts leek te suggereren, aldus Van der Eijk.

1.8.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 15 januari 2014 uiteengezet dat en waarom hij de argumenten en de visie van Van der Eijk niet deelt. In de visie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep verkeerde appellant ten tijde van zijn beoordeling en van de beoordeling van de bedrijfsarts klinisch niet in een dusdanig (gedecompenseerde) depressieve toestand dat alleen op basis daarvan het onverantwoord zou zijn om hem met werk te belasten. Deze conclusie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gebaseerd op zijn eigen waarnemingen, eerdere klinische beschrijvingen en zijn kennis en ervaring. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is ervan overtuigd dat als appellant op de datum in geding ook feitelijk had kunnen terugkeren in zijn laatstverrichte (of andere) arbeid, zijn medische problemen beter opgelost zouden zijn dan met welke therapie dan ook.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en vastgesteld dat appellant met ingang van 30 juli 2013 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het Uwv is opgedragen het door appellant betaalde griffierecht te vergoeden en veroordeeld tot betaling van de proceskosten van appellant. De rechtbank heeft overwogen dat uit de onderzoeken van de bedrijfsarts op 29 juli 2013 en van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 oktober 2013 voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel over de voor appellant geldende beperkingen te kunnen komen. Uit het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan worden opgemaakt dat de psychische belastbaarheid van appellant niet meer dan licht beperkt is en valt binnen de belasting van het eigen werk. De rechtbank heeft daarbij aangetekend dat verzekeringsartsen bij uitstek deskundig zijn om aan de hand van de door een betrokkene aangegeven klachten en de diagnose de belastbaarheid vast te stellen en te beoordelen of deze belastbaarheid voldoende toereikend is om de maatgevende arbeid te verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank levert het op verzoek van appellant opgemaakte rapport van de verzekeringsarts Van der Eijk geen indicatie op dat het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de psychische belastbaarheid van appellant voor onjuist moet worden gehouden. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 15 januari 2014 gemotiveerd zijn standpunt heeft gehandhaafd dat appellant geschikt was voor zijn arbeid, omdat het rapport van Van der Eijk geen nieuwe gezichtspunten heeft opgeleverd. Aan de gegrondverklaring van het beroep ligt ten grondslag dat de verzekeringsarts appellant ten onrechte met terugwerkende kracht hersteld heeft verklaard.

3.1.

Het hoger beroep van appellant richt zich uitsluitend tegen de vaststelling door de rechtbank dat hij met ingang van 30 juli 2013 geen recht meer heeft op ziekengeld. Appellant kan zich met dit oordeel niet verenigen en meent per 30 juli 2013 niet in staat te zijn weer arbeid te verrichten, omdat hij lijdt aan een depressieve stoornis. De rechtbank heeft volgens appellant ten onrechte en op ongemotiveerde wijze het oordeel van de verzekeringsartsen gevolgd. Dit oordeel van de verzekeringsartsen staat haaks op het oordeel van appellants huisarts, zijn behandelend psychologen en de verzekeringsarts die op verzoek van appellant in de beroepsfase rapport heeft uitgebracht. Verder stelt appellant dat de rechtbank zijn bezwaren tegen het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 oktober 2013 onvoldoende heeft besproken.

3.2.

Het Uwv heeft in het verweerschrift gesteld dat ter discussie staat het antwoord op de vraag of de gezondheidssituatie van appellant op 11 juli 2013 ten opzichte van 3 juli 2013 zodanig is gewijzigd dat hij niet langer in staat geacht zou moeten worden om zijn werkzaamheden te verrichten. Volgens het Uwv is het besluit van 1 juli 2013 in rechte komen vast te staan, waarmee vaststaat dat appellant met zijn bestaande klachten op 3 juli 2013 geschikt was voor zijn arbeid. De huidige procedure is volgens het Uwv niet bedoeld als een verkapte mogelijkheid om te procederen tegen het besluit van 1 juli 2013 en de in dat besluit getrokken conclusies.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op de gronden van het hoger beroep en de omstandigheid dat het Uwv geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld tegen de aangevallen uitspraak staat in deze procedure alleen ter discussie de vraag of de rechtbank op goede gronden heeft beslist dat appellant met ingang van 30 juli 2013 geen recht meer heeft op ziekengeld. Dit besluit kan volledig en niet terughoudend worden getoetst. Aan het feit dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen de beëindiging van het ziekengeld per 3 juli 2013 komt bij deze toetsing geen bijzondere betekenis toe.

4.2.

Van de dragende overwegingen in de aangevallen uitspraak kan, met een kanttekening, worden gevolgd dat verzekeringsartsen bij uitstek deskundig zijn in het vaststellen van de belastbaarheid van een verzekerde en of deze belastbaarheid voldoende toereikend is om de maatgevende arbeid te verrichten. In het geval van een beoordeling op grond van de ZW zijn het namelijk ook bedrijfsartsen die daarin deskundig zijn. De rechtbank kan ook worden gevolgd in haar kennelijke oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep en Van der Eijk tot dezelfde medische bevindingen zijn gekomen. Althans, de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 21 oktober 2013 en 15 januari 2014 niet het standpunt ingenomen dat de door Van der Eijk - en de huisarts en de psychologen - gestelde diagnose niet juist is. De rechtbank kan echter niet worden gevolgd in haar vaststelling dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de psychische belastbaarheid als niet meer dan licht beperkt heeft ingeschat en als vallend binnen de belasting van het eigen werk. In geen van zijn rapporten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijk gegeven van een gewogen oordeel dat de belasting in de functie van [naam functie A] niet te zwaar is, gelet op de belastbaarheid van appellant. Verder moet worden vastgesteld dat de rechtbank geen aandacht heeft geschonken aan de omstandigheid dat de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van Van der Eijk diametraal tegenover elkaar staan. Van der Eijk heeft, na eigen onderzoek van appellant en kennisname van de aanwezige medische stukken, anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep, gemotiveerd het standpunt ingenomen dat appellant op de relevante datum niet in staat was zijn werk als [naam functie A] te verrichten. Van der Eijk heeft weliswaar een oordeel gegeven over de situatie van appellant op 11 juli 2013, maar die situatie wijkt niet af van de situatie op 30 juli 2013. De door de rechtbank gebezigde motivering om het standpunt van de verzekeringsartsen van het Uwv te volgen, volstaat niet in een dergelijke situatie.

4.3.

Overweging 4.2 leidt tot de conclusie dat aan de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, geen daadkrachtige motivering ten grondslag ligt. Met instemming van partijen zal de zaak niet worden teruggewezen naar de rechtbank, maar zal de Raad doen wat de rechtbank had behoren te doen.

4.4.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.5.

De visie van de bedrijfsarts dat arbeid de gezondheidssituatie van appellant goed zal doen, kan zonder meer worden onderschreven. Voor de beoordeling van de vraag of appellant op

30 juli 2013 in staat is zijn werk als assistent filiaalhouder te verrichten is een dergelijke visie echter niet van belang. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dat ten onrechte niet onderkend. Bij de in dit geding te beantwoorden vraag gaat het er niet om wat “beter” zou zijn voor appellant. Beoordeeld moet worden of appellant naar objectieve maatstaven medisch gezien in staat is zijn arbeid te verrichten. Bij zijn beoordeling of appellant al dan niet aanspraak kan maken op ziekengeld heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals terecht opgemerkt door Van der Eijk, dan ook een onjuiste maatstaf gehanteerd, door te beoordelen of het maatgevende werk gecontraïndiceerd is.

4.6.

Overwogen is om het in 4.5 geconstateerde gebrek in de besluitvorming door het Uwv te laten herstellen. Daarvan is afgezien omdat het rapport van Van der Eijk, in samenhang met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, een voldoende basis vormt om in deze zaak tot een definitieve oplossing van het geschil te komen. Zoals eerder overwogen in 4.2 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet bestreden dat bij appellant op de datum in geding sprake is van een depressieve stoornis. Van der Eijk, die de stoornis als matig tot ernstig heeft beoordeeld, is tot deze diagnose gekomen na bestudering van de relevante gedingstukken en eigen onderzoek van appellant. De diagnose sluit ook aan bij de bevindingen van de huisarts en de psychologen. Van der Eijk heeft gemotiveerd uiteengezet welke beperkingen appellant als gevolg van de depressieve stoornis ondervindt. Appellant is beperkt voor taken die concentratie of besluitvaardigheid vergen, zoals het (eind)verantwoordelijkheid zijn voor de dagelijkse gang van zaken in het filiaal en het opletten op de kluis, klanten en personeel. De aanwezige sociale angst zorgt voor een knelpunt in het leidinggeven aan de medewerkers en het medicatiegebruik maken dat appellant niet kan autorijden. De conclusie van Van der Eijk is dat appellant op de relevante datum niet in staat is zijn werk als [naam functie A] te verrichten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich in zijn reactie op het rapport van Van der Eijk inhoudelijk geen verweer gevoerd tegen de door Van der Eijk beschreven beperkingen en evenmin tegen de conclusie van Van der Eijk dat appellant, gelet op die beperkingen, niet in staat is zijn werk als [naam functie A] te verrichten. Gelet op deze omstandigheden kan de conclusie van Van der Eijk dat appellant op de relevante datum niet in staat is zijn werk als [naam functie A] te verrichten, worden gevolgd. Geconcludeerd wordt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat appellant met ingang van 30 juli 2013 geen recht meer heeft op ziekengeld.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, moet worden vernietigd. Nu in deze situatie sprake is van maar één mogelijke oplossing, zal de Raad zelf voorzien in de zaak door te bepalen dat appellant ook vanaf 30 juli 2013 recht heeft op ziekengeld.

6. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 40,60 aan reiskosten in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;

  • -

    bepaalt dat appellant met ingang van 30 juli 2013 recht heeft op ziekengeld;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde besluit;

  • -

    draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 122,- aan appellant te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.032,60 aan proceskosten in hoger beroep.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter, in tegenwoordigheid van

N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2016.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) N. Veenstra

NK