Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:529

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-02-2016
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
14-2473 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen reden is aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd welke beperkingen appellant ondervindt en waarom afwijking van het oordeel van de primaire arts gerechtvaardigd is. Informatie van behandelaar en van voormalig werkgever meegenomen. Informatie in hoger beroep bevat geen nieuwe medische informatie over de belastbaarheid van appellant op de datum in geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2473 WIA

Datum uitspraak: 12 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

26 maart 2014, 13/9330 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. de Vink, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingebracht.

Het Uwv heeft een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Vink, en een tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is van 20 november 2009 tot en met 8 oktober 2010 via [naam uitzendbureau] werkzaam geweest als [naam functie] bij een tuinbouwbedrijf. Van 13 januari 2011 tot en met 8 juni 2011 heeft appellant via [naam uitzendbureau 2] opnieuw gewerkt als [naam functie] bij een tuinbouwbedrijf. In de tweede helft van juni 2011 is appellant werkzaam geweest als grondwerker/kabeltrekker bij [naam werkgever]. Op 27 juni 2011 is appellant uitgevallen met rugklachten en psychische klachten.

1.2.

Ter beoordeling van de aanspraak van appellant op een uitkering op grond van de

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), is hij onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Op basis van deze FML heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv onderzoek verricht. De arbeidsdeskundige heeft het werk van [naam functie], dat appellant via [naam uitzendbureau] heeft verricht, als maatgevende arbeid aangemerkt en geconcludeerd dat appellant met zijn beperkingen in staat is dit werk te verrichten en het daarbij behorende loon te verdienen. Bij besluit van

18 juni 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 24 juni 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op de grond dat appellant geschikt is voor de maatmanarbeid.

1.3.

Bij besluit van 8 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar de rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 juni 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig en onzorgvuldig onderzoek heeft verricht. Appellant heeft betoogd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ongemotiveerd van conclusies van de behandelend sector en het onderzoek van de primaire verzekeringsarts is afgeweken. Omdat beide verzekeringsartsen hun conclusies hebben gebaseerd op informatie van de behandelend sector, heeft de rechtbank ten onrechte alleen de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreven. Appellant heeft verder aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn beperkingen als gevolg van depressieve klachten, zwakbegaafdheid en een agressieregulatiestoornis onvoldoende heeft onderkend. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant een rapport van J. van der Plas, arts verstandelijk gehandicapten, van

16 april 2014 overgelegd. Ter zitting heeft appellant aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in strijd met de Richtlijn Beheer Gegevens naar aanleiding van het rapport van 16 april 2014 zonder nieuwe machtiging contact heeft opgenomen met Van der Plas. Appellant heeft verder betoogd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet alleen had mogen afgaan op de informatie van de behandelend sector, maar zijn conclusies ook had moeten baseren op de klachtenbeleving van appellant en de door zijn familie verstrekte informatie. Voorts heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij niet in staat is zijn werk van rozenknipper te vervullen. Ten onrechte heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant in zijn werk van rozenknipper naar behoren heeft gefunctioneerd. Appellant heeft verzocht om benoeming van een psychiater als deskundige.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een zorgvuldig onderzoek heeft verricht en er geen reden is aan de conclusies van deze arts te twijfelen. Daarbij is van belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep dossieronderzoek heeft verricht, de hoorzitting heeft bijgewoond en appellant aansluitend op het spreekuur heeft onderzocht. Verder heeft deze arts informatie ingewonnen bij Van der Plas en bij de voormalig werkgever van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 25 september 2013 inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd welke beperkingen appellant ondervindt voor het verrichten van arbeid en waarom er reden bestaat de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid te wijzigen. Nu het karakter van de bezwaarfase een volledige heroverweging van het primaire besluit meebrengt, kan dit er ook toe leiden dat het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep afwijkt van dat van de primaire verzekeringsarts. De eerstbedoelde arts heeft bovendien, als aangegeven, gemotiveerd waarom afwijking van het oordeel van de primaire arts gerechtvaardigd is.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport vermeld dat uit de informatie van Van der Plas blijkt dat appellant in maart 2012 een week is opgenomen bij Parnassia ter observatie in verband met impulsdoorbraken. Tijdens die opname hebben zich geen impulsdoorbraken voorgedaan. Ook kon tijdens de opname zwakbegaafdheid niet worden waargenomen. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport vermeld dat uit telefonisch contact met het bedrijf waar appellant via [naam uitzendbureau] als [naam functie] heeft gewerkt, blijkt dat appellant zijn werk naar behoren heeft verricht. De voormalig werkgever heeft onder meer te kennen gegeven dat er op het werk geen (grote) problemen waren tussen appellant en zijn collega’s. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport geconcludeerd dat op basis van zijn eigen onderzoeksbevindingen, de informatie van Van der Plas en informatie van de voormalig werkgever aanleiding bestaat de voor appellant vastgestelde belastbaarheid te wijzigen. Appellant heeft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep minder beperkingen dan de primaire verzekeringsarts heeft vastgesteld, welke beperkingen hij heeft vastgelegd in de FML van 25 september 2013. Appellant is aangewezen op eenvoudige en gestructureerde werkzaamheden zonder veelvuldige deadlines, veelvuldige onderbrekingen of een hoog handelingstempo. Wegens zijn beperkte sociale vaardigheden is appellant verder aangewezen op werk waarin samenwerken beperkt voorkomt, waarin hij niet hoeft om te gaan met klanten of zorgbehoevenden en waarin hij geen emotionele problemen van anderen hoeft te hanteren. Appellant is niet in staat conflicten te hanteren. Voorts moet in het werk geen direct contact met collega’s of klanten vereist zijn en het werk mag geen leidinggevende aspecten bevatten. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er geen indicatie voor het standpunt van de primaire verzekeringsarts dat appellant is aangewezen op intensieve begeleiding.

4.2.

Appellant heeft in hoger beroep een rapport van Van der Plas van 16 april 2014 overgelegd. Naar aanleiding van dit rapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opnieuw informatie ingewonnen bij Van der Plas. In het rapport van 25 juni 2014 concludeert de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat het rapport van Van der Plas van 16 april 2014 geen nieuwe medische informatie bevat over de belastbaarheid van appellant op de datum in geding. Er zijn geen aanknopingspunten deze conclusie voor onjuist te houden. Uit de aanwezige medische gegevens blijkt niet dat de depressieve klachten van appellant dermate ernstig zijn dat hij de maatgevende arbeid niet zou kunnen verrichten. De maatgevende arbeid is zeer eenvoudig van aard, zodat de eventuele verminderde intellectuele begaafdheid van appellant geen beletsel vormt voor het verrichten van deze arbeid. Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige voor het verrichten van een nader onderzoek.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op grond van de Richtlijn Gegevens Beheer een nieuwe machtiging had moeten vragen voor het opnieuw inwinnen van informatie bij Van der Plas. Appellant heeft in bezwaar de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 29 augustus 2013 een machtiging gegeven voor het opvragen van informatie bij Van der Plas. In hoger beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ongeveer 10 maanden later bij dezelfde behandelaar en in dezelfde zaak informatie ingewonnen. Er bestaat daarom geen aanleiding consequenties te verbinden aan het eventueel niet volgen van de Richtlijn Gegevens Beheer.

4.4.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 25 september 2013 heeft de rechtbank eveneens met juistheid geoordeeld dat appellant in staat moet worden geacht de maatgevende arbeid te verrichten. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapporten van

8 oktober 2013 en 7 december 2015 voldoende gemotiveerd dat de belastbaarheid van appellant in de maatgevende arbeid niet wordt overschreden.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en J. Riphagen en

P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2016.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) L.L. van den IJssel

AP