Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:528

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
15/1373 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging tijdelijke aanstelling van rechtswege. Payroll-overeenkomsten via uitzendbureau. Geen vaste aanstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2016/72
ABkort 2016/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1373 AW, 15/1374 AW

Datum uitspraak: 18 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Overijssel van

13 januari 2015, 14/897 en 14/898 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellant 1] te [woonplaats] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R.T. Profijt, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Namens het college heeft C. Jeurink een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2016. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Profijt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Jeurink, W.R.J. Hammer en J.C.W. Minten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Na een periode als uitzendkracht werkzaam te zijn geweest bij de gemeente Enschede in de functie van Consulent Werk en Bijstand , zijn appellanten per 1 januari 2010, voor de duur van een jaar en bij wijze van proef, door het college ambtelijk aangesteld in deze functie. Per 1 januari 2011 zijn nieuwe tijdelijke aanstellingen tot stand gekomen, opnieuw voor de duur van een jaar. Deze aanstellingen zijn vervolgens verlengd tot en met 31 december 2012.

1.2.

Bij afzonderlijke brieven van 17 december 2012 heeft het college aan appellanten laten weten dat hun tijdelijke aanstellingen op 31 december 2012 van rechtswege eindigen en dat zij vanaf 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 via Randstad Payroll Solutions bij de gemeente Enschede zullen worden gedetacheerd. Appellanten hebben hun werkzaamheden als Consulent Inkomen in januari 2013 voortgezet. Ingaande 1 januari 2013 hebben zij, op grond van artikel 7:690 van het Burgerlijk Wetboek (BW), payroll-overeenkomsten voor onbepaalde tijd gesloten met Randstad.

1.3.

Op 27 augustus 2013 heeft het college aan Randstad laten weten dat de opdrachten met betrekking tot de inlening van appellanten per 1 januari 2014 zullen eindigen. Appellanten hebben hun werkzaamheden voor de gemeente Enschede in januari 2014 beëindigd. Zij zijn nadien op basis van de onder 1.2 genoemde payroll-overeenkomsten in dienst gebleven bij Randstad.

1.4.

Op 11 februari 2014 hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen de kennelijke besluiten tot beëindiging van hun vaste aanstellingen bij de gemeente Enschede . Naar zeggen van appellanten zijn zij er op 13 januari 2014 telefonisch van in kennis gesteld dat zij geen werkzaamheden meer voor de gemeente behoefden te verrichten. Appellanten hebben aangevoerd dat op dat moment van rechtswege vaste aanstellingen waren ontstaan en dat de beëindiging van hun werkzaamheden, nu er geen grond was voor ontslag, in strijd is met de ontslagbepalingen van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO). Bij besluiten van 6 maart 2014 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren van appellanten niet-ontvankelijk verklaard, dit omdat de bezwaarschriften volgens het college niet zijn gericht tegen besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellanten betogen dat met de voortzetting van hun werkzaamheden per 1 januari 2013 een vaste aanstelling is ontstaan. Op die dag is volgens hen de periode van 36 maanden, bedoeld in artikel 2:4, tweede lid, van de CAR/UWO overschreden. Appellanten menen daarom dat zij ten tijde van de beëindiging van hun werkzaamheden nog steeds in ambtelijke dienst waren bij de gemeente. Dat betekent volgens appellanten dat hun bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 2:4, tweede lid, van de CAR/UWO, zoals luidende ten tijde van belang, bepaalt dat vanaf de dag dat de tijdelijke aanstelling een periode van 36 maanden overschrijdt, de laatste aanstelling met ingang van die dag geldt als een vaste aanstelling. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 18 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2389) voert het te ver om werkzaamheden op basis van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het BW die aan de tijdelijke aanstellingen vooraf zijn gegaan, voor de toepassing van een bepaling als het genoemde artikel 2:4, tweede lid, van de CAR/UWO, mee te tellen. Anders dan door appellanten wordt betoogd, valt niet in te zien dat niet hetzelfde zou hebben te gelden voor de werkzaamheden op basis van de payroll-overeenkomst die zijn verricht na afloop van de 36 maanden, bedoeld in meergenoemde bepaling. Feit blijft immers dat de CAR/UWO destijds niet voorzag in het voor de toepassing van artikel 2:4, tweede lid, meetellen van werkzaamheden, verricht op een andere titel dan krachtens een ambtelijke aanstelling, of het nu ging om vooraf, tussentijds of achteraf uitgevoerde werkzaamheden.

4.2.

Artikel 2:4, tweede lid, van de CAR/UWO heeft dus geen vaste aanstellingen doen ontstaan. De Raad deelt daarbij het oordeel van de rechtbank dat evenmin kan worden gezegd dat de totstandkoming van dergelijke aanstellingen valt af te leiden uit de bedoelingen van het college. Nog los van het gegeven dat naar zeggen van het college van meet af aan appellanten duidelijk is gemaakt dat hun werkzaamheden, gezien de financiële positie van de gemeente, eindig zouden zijn, geven in ieder geval de brieven van 17 december 2012 blijk van het tegendeel van een bedoeling om vaste dienstverbanden te laten ontstaan.

4.3.

Conclusie is dat er van het ontstaan van vaste aanstellingen geen sprake is geweest. Er is dus evenmin sprake van besluitvorming over beëindiging van zulke aanstellingen. Daarmee staat vast dat de bezwaarschiften van appellanten geen betrekking hebben op enig besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, terwijl evenmin sprake kan zijn van een op grond van

artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, met een besluit gelijk te stellen andere handeling waarbij een ambtenaar als zodanig in zijn belang is getroffen. De bezwaren van appellanten zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.4.

De aangevallen uitspraken komen voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor proceskostenveroordelingen bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en B.J. van de Griend en

M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2016.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD