Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:525

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
15/166 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herschikking van werkzaamheden of reorganisatieplan? Plaatsing in functie van projectmanager, weigering plaatsing in functie afdelingshoofd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2016/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/166 AW

Datum uitspraak: 18 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

28 november 2014, 14/634 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van bestuur van de Rijksuniversiteit Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Baas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.L. Poortman, advocaat en kantoorgenoot van mr. Baas. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Wolters, dr. ir. T.W. Hobma en

H. Doedens MBA.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds februari 2004 werkzaam bij het [bedrijf] van de Rijksuniversiteit Groningen als [functie] .

1.2.

In 2012 heeft de directie van het [bedrijf] een als herschikking van de werkzaamheden aangeduid voorstel bekendgemaakt, inhoudende het vormen van een nieuwe afdeling [naam afdeling] . Naar deze afdeling zullen alle medewerkers, waaronder het afdelingshoofd, van [afdeling 1] en een aantal medewerkers, waaronder het afdelingshoofd, van de afdeling [afdeling 2] overgaan. In de Notitie herschikking binnen het [bedrijf] van 6 juni 2012 (notitie) staat dat het beoogde afdelingshoofd van [naam afdeling] het afdelingshoofd van [afdeling 2] is en dat het afdelingshoofd van [afdeling 1] , appellant, de beoogde teamleider is van het visualisatieteam van [naam afdeling] .

1.3.

Bij brief van 31 maart 2012 aan het college heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat volgens hem geen sprake is van een herschikking van de werkzaamheden maar van een reorganisatie. Bij brief van 6 augustus 2012 heeft appellant daaraan toegevoegd dat als de procedure van reorganisatie zou worden gevolgd, hij afdelingshoofd zou blijven. Dit heeft ertoe geleid dat in het Herstructureringsplan Afdeling [naam afdeling] van 14 mei 2013 (Plan) de functie van afdelingshoofd [naam afdeling] en de functie van projectmanager [naam afdeling] nog niet zijn ingevuld. Daarvoor komen in aanmerking de twee afdelingshoofden die naar [naam afdeling] overgaan. Blijkens het Plan zal de benoeming in de functie van afdelingshoofd door middel van een interne sollicitatieprocedure plaatsvinden. De competenties waaraan het afdelingshoofd moet voldoen zijn conceptueel vermogen, visie, omgevingsgerichtheid, sturen op resultaat en verbindend leiderschap. Het afdelingshoofd dat niet voor de functie afdelingshoofd [naam afdeling] wordt voorgedragen, zal een passende functie van projectmanager dan wel teamleider worden geboden.

1.4.

Bij besluit van 5 september 2013 heeft het college op basis van het sollicitatiegesprek en het ontwikkelassessment appellant per 1 september 2013 geplaatst in de functie van projectmanager 3 bij [naam afdeling] . Volgens het college is uit het ontwikkelassessment naar voren gekomen dat ten aanzien van het aspect leiderschap de competentie van appellant meer ligt op het gebied van het taakgericht leiderschap dan op dat van het verbindend leiderschap. Deze constatering wordt door het college herkend. Dit aspect en appellants inhoudelijke expertise komen volgens het college beter tot hun recht in de functie van projectmanager dan in die van afdelingshoofd.

1.5.

Bij besluit van 20 december 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 5 september 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt voorop dat het besluit van 5 september 2013, behalve de plaatsing van appellant als projectmanager 3, tevens behelst de weigering om appellant te plaatsen in de door hem geambieerde functie van [naam afdeling] . Het bestreden besluit ziet mede op de handhaving van die weigering. De beroepsgronden van appellant zien in feite op de weigering hem te benoemen tot afdelingshoofd.

4.2.

In onderdeel 10 Personeelsplan van de Reorganisatiecode Rijksuniversiteit Groningen 2008 (reorganisatiecode) is onder Kanttekeningen bij de opstelling bepaald:

“Bij de opstelling van het personeelsplan vraagt de keuze aan welke medewerkers welke functie wordt geboden en welke medewerkers voor afvloeiing in aanmerking komen een zorgvuldige afweging door de leiding van de reorganisatie.

Er kunnen zich bij reorganisatie de volgende situaties voordoen.

a. Een functie wordt min of meer ongewijzigd voortgezet na de reorganisatie. In dat geval komt de huidige functionaris in principe voor de vervulling van de functie in aanmerking. […]

d. Indien sprake is van nieuwe functies dient de manier waarop hiermee wordt omgegaan in grote lijnen te worden bepaald in het reorganisatieplan. Het is mogelijk dat een protocol plaatsing wordt opgesteld.”

4.3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat geen sprake is van een herschikking van de werkzaamheden maar van een reorganisatie en dat wanneer de procedure van reorganisatie was gevolgd hij - op grond van de reorganisatiecode - geplaatst zou zijn op de functie van [naam afdeling] . Daarnaast heeft appellant zich - onder verwijzing naar bijlage 3, Procedure herschikking CIT, van de notitie - op het standpunt gesteld dat ook bij een herschikking de reorganisatiecode op dit punt had moeten worden gevolgd.

4.3.2.

Op grond van het hiervoor onder 4.2 weergegeven gedeelte van onderdeel 10 van de reorganisatiecode komt de huidige functionaris in principe voor de vervulling van de functie in aanmerking als deze functie min of meer ongewijzigd wordt voortgezet na de reorganisatie. Appellant heeft aangevoerd dat zijn functie min of meer ongewijzigd is voortgezet na de reorganisatie. Het college stelt dat dit niet het geval is. De afdeling [naam afdeling] (12,1 fte) is bijna tweemaal zo groot als de afdeling [afdeling 1] (6,8 fte) en het takenpakket is uitgebreid. De afdeling [naam afdeling] bestaat niet louter uit ontwikkelaars ICT, zoals de afdeling [afdeling 1] , maar ook uit beheerders ICT, consultants en programmamanagers. Gelet hierop betreft de functie van afdelingshoofd [naam afdeling] volgens het college veeleer een managementfunctie, terwijl het in de functie van afdelingshoofd [afdeling 1] ging om een meewerkend voorman. De Raad onderschrijft het standpunt van het college dat sprake is van een nieuwe functie en niet van een min of meer ongewijzigde functie. Dit betekent dat appellant, ongeacht of sprake zou zijn van een reorganisatie of van een herschikking van de werkzaamheden, niet zonder meer aanspraak zou hebben op benoeming in de functie van afdelingshoofd [naam afdeling] . De vraag of het hier een herschikking of een reorganisatie betrof, kan, gelet op het vorenstaande, dan ook buiten bespreking blijven.

4.3.3.

Uit 4.3.2 volgt dat de functie van afdelingshoofd [naam afdeling] een nieuwe functie is. Voor de functie is een vacaturetekst opgesteld, waarna een interne selectieprocedure heeft plaatsgevonden. Het college heeft appellant niet geplaatst in deze functie. Hieraan heeft het college onder meer de uitkomst van het ontwikkelassessment ten grondslag gelegd. Beide medewerkers die voor de functie in aanmerking kwamen, hebben aan het assessment deelgenomen. Gelet op vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 10 november 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3050) is, anders dan appellant betoogt, een assessment in beginsel een geschikt instrument om de mate van geschiktheid voor een functie objectief vast te stellen. Uit het ontwikkelassessment is naar voren gekomen dat de leiderschapscompetentie van appellant meer ligt op het gebied van het taakgericht leiderschap dan op het blijkens de vacaturetekst gevraagde verbindend leiderschap, wat het college herkent. Onder deze omstandigheden heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten te weigeren appellant op de functie van afdelingshoofd [naam afdeling] te plaatsen. Dat de andere kandidaat in de notitie als beoogd afdelingshoofd [naam afdeling] werd genoemd, leidt niet tot een ander oordeel.

4.4.

Het hoger beroep slaagt niet. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M.C.D. Embregts en

J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2016.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) S.W. Munneke

HD