Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:524

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2016
Datum publicatie
23-02-2016
Zaaknummer
14/6210 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Erkenning dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld, maar geen sprake van blijvende invaliditeit. Deugdelijk voorbereid en gemotiveerd advies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6210 WUBO

Datum uitspraak: 18 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] , Verenigde Staten van Amerika (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 18 september 2014, kenmerk BZ01717528 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2016. Daar is namens appellante verschenen drs. C. de Ceuninck van Capelle, wonende te Haarlem, als haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren in 1937 in het toenmalig Nederlands-Indië, heeft in december 2011 verzocht om toekenningen op grond van de Wubo.

1.2.

Bij besluit van 18 december 2013 is erkend dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. De aanvraag om toekenning van onder meer een periodieke uitkering is afgewezen op de grond dat de bij appellante aanwezige psychische klachten, gebitsklachten en het prikkelbare darmsyndroon (IBS) niet hebben geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. Over de lichamelijke klachten (hoge bloeddruk, verhoogd cholesterol, migraine, astma en blaasklachten) is geoordeeld dat deze niet in verband staan met het meegemaakte oorlogsgeweld. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. In beroep benadrukt appellante dat zij nog steeds angstaanvallen heeft en dat ze de deur niet uit wil en kan. Ze heeft nare en angstige nachtmerries over de verschrikkelijke jaren tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode. Die maken haar moe waardoor het voor haar heel moeilijk is om uit huis te gaan, aldus appellante.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Oorlogsgeweld

3.1.1.

In artikel 2, eerste lid, van de Wubo wordt omschreven wie onder burger-oorlogsslachtoffers worden verstaan. Tot deze groep behoren degenen die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalig Nederlands-Indië (de Bersiap-periode) als burger lichamelijk of psychisch letsel hebben opgelopen ten gevolge van:

- met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen van de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;

- confrontatie met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.

3.1.2.

Als oorlogsgeweld is aanvaard dat appellante direct betrokken is geweest bij ongeregeldheden bij het gaan van en naar het [ziekenhuis] in [plaats] . De door appellante gestelde gevangenhouding aan de [adres] heeft verweerder niet aangemerkt als oorlogsgeweld in de zin van de Wubo omdat er geen sprake was van vrijheidsberoving die onder de werking van de Wubo kan worden gebracht.

3.1.3.

Nadat de vader was geïnterneerd is de moeder van appellante met de kinderen bij de grootouders van appellante gaan wonen. Blijkens de gedingstukken heeft appellante vermeld dat zij alleen met instemming van de wachtpost de woning - sporadisch - konden verlaten. Deze bewegingsvrijheid, ook al was deze zeer beperkt, brengt mee dat er geen sprake was van een onder de Wubo te brengen interneringssituatie. Namens appellante is ook gewezen op de dreigingen tijdens de Bersiap-periode die leidden tot spanningen als gevolg waarvan appellante door haar moeder tot bloedens toe is mishandeld. Die gebeurtenissen, hoe ernstig deze ook zijn geweest, zijn niet aan te merken als handelingen of omstandigheden als omschreven onder 3.1.1 en kunnen dan ook niet onder de werking van de Wubo worden gebracht.

Invaliditeit

3.2.1.

Van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo is volgens het beleid van verweerder sprake als de betrokkene beperkingen heeft in minstens twee van de vier aan de American Medical Association (AMA) ontleende rubrieken, te weten 1) dagelijkse activiteiten,

2) sociaal functioneren, 3) concentratie, doorzettingsvermogen en tempo en 4) aanpassing aan stressvolle omstandigheden. Deze maatstaf is door de Raad in vaste rechtspraak aanvaard (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:244).

3.2.2.

Verweerder heeft zijn standpunt in het primaire besluit gebaseerd op het door de geneeskundig adviseur R. Loonstein, arts, uitgebrachte advies. Dat advies is tot stand gekomen na een door de psychiater J.W. Gaines bij appellante verricht medisch onderzoek. Loonstein concludeert dat de bij appellante aanwezige psychische klachten niet hebben geleid tot dusdanige beperkingen dat op grond van deze klachten sprake is van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. Dit geldt ook voor de gebitsklachten en het IBS. De hoge bloeddruk, verhoogd cholesterol, migraine, astma en blaasklachten zijn constitutioneel bepaald en staan niet in verband met het oorlogsgeweld, aldus Loonstein.

3.2.3.

In de bezwaarfase is advies gevraagd aan een andere geneeskundig adviseur, de arts A.M. Ohlenschlager. Zij heeft het advies van Loonstein onderschreven. Op basis van het bezwaar en na heroverweging van het primaire advies concludeert zij dat de in bezwaar vooral genoemde slaapproblemen (nachtmerries) en depressieve klachten niet op beperkende wijze tot uiting komen. Verder stelt Ohlenschlager dat de rugklachten door osteoporose een constitutionele aandoening dan wel een degeneratieve aandoening betreft, waarvan een verband met het oorlogsgeweld ontbreekt.

3.2.4.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze advisering deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Objectieve medische gegevens waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat de uit de psychische klachten voortkomende beperkingen van appellante zijn onderschat, zijn niet voorhanden. Bruxisme kan wel het gevolg zijn van psychische stress maar tot invaliditeit zal dit niet kunnen leiden. Medische gegevens waaruit kan worden afgeleid dat de lichamelijke klachten in verband staan met het oorlogsgeweld zijn niet voorhanden. Namens appellante is nog betoogd dat de osteoporose het gevolg is van de jarenlange ondervoeding tijdens de oorlog. Ondervoeding betreft echter een algemene oorlogsomstandigheid waaraan een ieder in die periode in meer of mindere mate heeft blootgestaan. Dergelijke algemene oorlogsomstandigheden kunnen niet onder de werking van de Wubo worden gebracht. Er moet daarom van worden uitgegaan dat bij appellante niet in twee van de onder 3.2.1 genoemde rubrieken beperkingen bestaan, zodat verweerder op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat bij appellante ten tijde in geding geen sprake was van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo.

3.2.5.

Dat de broer van appellante wel in aanmerking is gebracht voor een uitkering op grond van de Wubo, kan niet van invloed zijn op het antwoord op de vraag of het ondergane oorlogsgeweld bij appellante heeft geleid tot invaliditeit in de zin van de Wubo. Aangezien elk individu de meegemaakte oorlogsomstandigheden op zijn of haar eigen wijze verwerkt, is bij een medische beoordeling een vergelijking met familieleden niet aan de orde.

3.3.

Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep van appellante moet ongegrond worden verklaard.

3.4.

De Raad merkt nog op dat appellante een hernieuwde aanvraag kan indienen als er een wijziging optreedt in haar psychische klachten. Dan zal worden beoordeeld of en, zo ja, in hoeverre sprake is van een voor de Wubo relevante toename van beperkingen door die klachten.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2016.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) A. Mansourova

HD