Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:519

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2016
Datum publicatie
23-02-2016
Zaaknummer
13/6690 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Afwijzing herzieningsverzoek besluit op samenloopaanvraag voor aanspraken op grond van de Wuv en de Wubo. Schending redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6690 WUV, 13/6689 WUBO

Datum uitspraak: 18 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

de Staat der Nederlanden, minister van Veiligheid en Justitie (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 november 2013, kenmerk BZ01664626 (bestreden besluit 1). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Mr. Van Berkel heeft tevens beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van

20 november 2013, kenmerk BZ01628419 (bestreden besluit 2). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2016. Namens appellant is

mr. Van Berkel verschenen en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.L. van de Wiel.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de rechter, is de Staat in dit geding mede als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is in 1933 geboren in het toenmalige Nederlands-Indië. In december 2002 heeft hij een zogenoemde samenloopaanvraag voor aanspraken op grond van de Wuv en de Wubo bij verweerder ingediend. Voor beide wetten is hierop bij besluiten van 12 juni 2003 afwijzend beslist. De afwijzing in het kader van de Wuv berustte op de overweging dat de gestelde vrijheidsberoving in verschillende kampen niet was aangetoond of aannemelijk was gemaakt. Verder zag verweerder geen aanleiding om te onderzoeken of appellant kan worden gelijkgesteld met de vervolgde op grond van het overlijden van zijn vader. De afwijzing in het kader van de Wubo berustte op de grond dat buiten de eigen verklaring van appellant geen bevestiging was verkregen van internering tijdens de Japanse bezetting en er overigens geen gebeurtenissen waren genoemd die onder de werking van de Wubo kunnen worden gebracht. Tegen deze besluiten zijn geen rechtsmiddelen ingesteld.

1.2.

In juli 2012 heeft mr. Van Berkel namens appellant verzocht om herziening van de

onder 1.1 genoemde afwijzingen, waarbij te kennen is gegeven dat er destijds fouten zijn gemaakt met betrekking tot de vraag of [naam 1] , geboren [in 1] 1907, overleden te Batavia op 1 november 1942, de vader van appellant was. Appellant was van mening dat deze [naam 1] waarschijnlijk zijn vader was. Later heeft mr. Van Berkel nog een persoonskaart van de moeder van appellant bij verweerder ingediend.

1.3.

Bij besluit van 26 april 2013, na bezwaar gehandhaafd bij bestreden besluit 1, is op de aanvraag in het kader van de Wuv afwijzend beslist. Verweerder blijft van oordeel dat de destijds door appellant gestelde vrijheidsberoving in verschillende kampen tijdens de Japanse bezetting niet is aangetoond of aannemelijk is gemaakt. Nog steeds ziet verweerder geen aanleiding te onderzoeken of appellant met de vervolgde kan worden gelijkgesteld, omdat geen gegevens zijn gevonden over [naam 2] , geboren [in 1] 1906 te Pasoeroen, die volgens de overgelegde persoonskaart met de moeder van appellant was gehuwd. Verder is niet aannemelijk geacht dat [naam 1] , geboren [in 1] 1907, de vader van appellant was, gezien de over hem bekende gegevens.

1.4.

Bij besluit van 26 april 2013, gehandhaafd bij bestreden besluit 2, is ook op de aanvraag in het kader van de Wubo afwijzend beslist op de grond dat er nog steeds, buiten de eigen verklaring van appellant, geen bevestiging van internering in kampen tijdens de Japanse bezetting is verkregen.

2. Namens appellant is op hierna te bespreken gronden beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten 1 en 2.

Wuv

3.1.

Namens appellant is betoogd dat op grond van de bij het herzieningsverzoek ingediende persoonskaart van zijn moeder voldoende vaststaat dat zijn vader [naam 1] , geboren [in 1] 1906, overleden is in een Japans kamp in het toenmalige

Nederlands-Indië. Op grond hiervan zou appellant gelijkgesteld kunnen worden met de vervolgde en had de aanvraag doorgeleid moeten worden naar de medische dienst. Ook zou onvoldoende onderzocht zijn of [naam 3] , overleden op 1 november 1942, mogelijk zijn vader is en zou onvoldoende onderzoek zijn gedaan naar relatiedossiers.

3.2.

Deze beroepsgronden treffen geen doel. Verweerder heeft naar aanleiding van de namens appellant overgelegde persoonskaart van zijn moeder navraag gedaan bij het Rode Kruis, de SAIP en het Centraal Bureau voor Genealogie. Over de vader van appellant, [naam 1] , geboren [in 1] 1906, zijn geen gegevens bekend. De enkele aantekening “Overl Jappenkamp Ind” op de persoonskaart is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat hij vervolgd is geweest en als gevolg daarvan is overleden. Bij het Rode Kruis was wel een [naam 2] bekend, geboren [in 1] 1907, maar gezien de gegevens omtrent echtgenote, zoon en woonplaats betreft dat niet de vader van appellant. Namens appellant is dit laatste ter zitting ook erkend. Verweerder heeft terecht geen aanleiding gezien om een nader medisch onderzoek te laten instellen met het oog op een eventuele gelijkstelling met de vervolgde.

3.3.

Gezien hetgeen onder 3.2 is overwogen, wordt het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

Wubo

4.1.

Naar aanleiding van het verzoek om herziening van het onder 1.4 vermelde besluit van

12 juni 2003 met betrekking tot de Wubo heeft verweerder opnieuw uitgebreid onderzoek gedaan naar de gestelde internering. Er is gezocht naar relatiedossiers van door appellant opgegeven personen. Slechts van één van die personen is een dossier gevonden. Die persoon heeft een ander oorlogsverleden dan appellant en hij heeft desgevraagd te kennen gegeven dat hij appellant pas heeft leren kennen in 1950. De gestelde internering van appellant is dus op geen enkele wijze bevestigd.

4.2.

Gezien hetgeen onder 4.1 is overwogen, wordt het beroep tegen bestreden besluit 2 eveneens ongegrond verklaard.

5.1.

Namens appellant is verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

5.2.

In dit geval is sprake van een procedure in twee instanties, te weten bezwaar gevolgd door beroep in eerste en enige aanleg. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van

9 april 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BI2179), is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in zaken als deze niet overschreden als die procedure in totaal niet langer dan twee en een half jaar in beslag heeft genomen. Heeft de totale procedure langer dan twee en een half jaar geduurd, dan moet per instantie worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd is. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren. In het algemeen acht de Raad een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).

5.3.

Sinds de ontvangst van het bezwaar op 28 mei 2013 tot aan deze uitspraak zijn twee jaar en bijna negen maanden verstreken. De redelijke termijn is daarmee overschreden met bijna drie maanden. Die overschrijding is een gevolg van overschrijding van de toegestane behandelingsduur in de rechterlijke fase. Er is in dit geval geen aanleiding om af te wijken van de onder 5.2 vermelde uitgangspunten. Aan appellant komt dus een schadevergoeding toe van € 500,-.

5.4.

De Raad zal de Staat veroordelen tot vergoeding van schade aan appellant tot een bedrag van € 500,- wegens schending van de redelijke termijn.

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot vergoeding

van schade aan appellant tot een bedrag van € 500,-.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2016.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) A. Mansourova

HD