Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:5154

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
28-03-2017
Zaaknummer
15/1498 WIA-S
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA. Zorgvuldig medisch onderzoek. Juiste FML.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1498 WIA-S

Datum uitspraak: 29 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2015, 13/6692 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om schadevergoeding

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L.M. van Rookhuizen hoger beroep ingesteld en om schadevergoeding gevraagd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.A. Voorn, opvolgend gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als consultant voor 36 uur per week. Op

20 december 2010 is zij uitgevallen met whiplashklachten na een aanrijding.

1.2.

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 25 maart 2013 vastgesteld dat appellante met ingang van 11 april 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Bij besluit van 8 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 maart 2013 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv een rapport van 18 september 2013 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 2 oktober 2013 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag gelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsartsen het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig hebben verricht en dat de opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voldoende recht doet aan de beperkingen van appellante. De rechtbank heeft verder overwogen dat appellante haar stellingen niet heeft onderbouwd met medische gegevens. De rechtbank zag daarom geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van het Uwv. Uitgaande van de FML heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat appellante met ingang van 11 april 2013 in staat moest worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies uit te oefenen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante staande gehouden dat in de FML te weinig beperkingen zijn vastgelegd als gevolg van haar whiplashklachten. Ten onrechte is geen urenbeperking aangenomen. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn volgens appellante op meerdere punten in medisch opzicht niet passend.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4.1.

Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.2.

Uit de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv blijkt dat die artsen het dossier hebben bestudeerd, de verzekeringsarts appellante op het spreekuur heeft gezien en de verzekeringsarts bezwaar en beroep de hoorzitting heeft bijgewoond. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 18 september 2013 de beschikbare informatie van de behandelend revalidatiearts betrokken in haar verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Op inzichtelijke wijze heeft zij gemotiveerd in hoeverre appellantes klachten naar objectief medische maatstaven nopen tot het vastleggen van beperkingen in de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien om aan de door de verzekeringsarts opgestelde FML beperkingen toe te voegen wat betreft het werken achtereen met een toetsenbord, het maken van schroefbewegingen met hand en arm, duwen en trekken, lichte voorwerpen hanteren en bovenhands werken. Verder is een afwisseling van houding als gewenst opgenomen in de FML en ’s nachts werken als niet gewenst. Voor een urenbeperking heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding gezien. In een rapport van

30 januari 2014 heeft zij dit nader toegelicht door erop te wijzen dat niet is voldaan aan de criteria voor een urenbeperking, zoals opgenomen in de Standaard verminderde arbeidsduur. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar de beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid per 11 april 2013 niet onzorgvuldig of onjuist is geweest. Nu appellante in beroep en in hoger beroep haar standpunt dat haar beperkingen zijn onderschat niet heeft onderbouwd met nadere medische gegevens, wordt de rechtbank ook gevolgd in haar oordeel dat die beperkingen niet onjuist zijn weergegeven in de FML van 18 september 2013.

4.3.

Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit wordt als volgt overwogen. Het Uwv heeft bij brief van 12 april 2016 bericht dat de functie met SBC-code 484010 (documentalist cargo service) niet langer aan de schatting ten grondslag wordt gelegd. De schatting wordt nu gebaseerd op de functies met SBC-code 516080 (schadecorrespondent), SBC-code 111071 (snackbereider) en SBC-code 267050 (samensteller elektronische apparatuur). Op grond daarvan wordt appellante met ingang van 11 april 2013 31,96% arbeidsongeschikt geacht. In de arbeidskundige rapporten van 2 oktober 2013, 20 oktober 2014 en 11 april 2016, gelezen in onderlinge samenhang, is toereikend gemotiveerd dat die functies in medisch opzicht passend zijn. De stelling van appellante dat de signaleringen niet zijn gemotiveerd wordt dan ook niet onderschreven. Haar stelling dat zij de werkzaamheden verbonden aan de functie met SBC-code 111071 niet kan verrichten omdat die functie een hoog handelingstempo (item 1.9.8 van de FML) vereist, slaagt evenmin nu in de FML geen beperkingen zijn vastgelegd onder dit item en in het ‘Resultaat functiebeoordeling’ geen signalering staat bij item 1.9.8. Appellante heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de belasting van de functie met SBC-code 516080 haar belastbaarheid overschrijdt. De enkele stelling dat de belasting voor ‘toetsenbord bedienen en muis hanteren’ in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem niet juist is vastgesteld, is daartoe ontoereikend. Er is geen aanleiding de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Bij deze uitspraak is voor een veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente geen grond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat aanleiding, aangezien de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit eerst in hoger beroep is voorzien van een deugdelijke onderbouwing. De kosten voor verleende rechtsbijstand worden begroot op € 992,- in beroep en op € 992,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek tot veroordeling van het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente af;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.984,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2016.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) G.J. van Gendt

NK