Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:5147

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-12-2016
Datum publicatie
16-01-2017
Zaaknummer
14/6189 WWAJ
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:9087, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft de mogelijkheden en beperkingen van appellant tussen de dag dat hij 17 jaar is geworden en 28 januari 2013 ook inhoudelijk beoordeeld. Om deze reden ziet de Raad geen aanleiding om een oordeel te geven over de gevolgen van de intrekking van de besluiten van 1 maart 2013 en 4 maart 2013. Dit zou slechts betekenis krijgen indien aangenomen moest worden dat de mogelijkheden en beperkingen van appellant op enig moment niet juist zijn vastgesteld. Afwijzing verzoek tot schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6189 WWAJ

Datum uitspraak: 30 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
7 november 2014, 14/1578 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingebracht.

Het Uwv heeft bij brieven van 8 januari 2016 en 31 mei 2016 gereageerd op vragen van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2016. Appellant werd vertegenwoordigd door mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1990, heeft door middel van een op 3 april 2012 door het Uwv ontvangen formulier, een aanvraag ingediend op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong) in verband met epilepsie sinds december 2008. Naar aanleiding van deze aanvraag is appellant onderzocht op het spreekuur van een verzekeringsarts van het Uwv. Deze arts heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld en inlichtingen gevraagd bij de huisarts en de behandelend neuroloog van appellant. In een rapport van 8 mei 2012 heeft de verzekeringsarts vermeld dat de neuroloog in een brief aan de huisarts van 8 juli 2010 heeft bericht dat de aanvalsfrequentie laag is. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens in een rapport van 8 mei 2012 voorbeeldfuncties geselecteerd en berekend dat appellant met deze voorbeeldfuncties meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen.

1.2.

Bij besluit van 10 mei 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een Wajong-uitkering. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant met de bij hem vastgestelde beperkingen in staat is te werken en daarmee meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

2.1.

Bij formulier van 12 februari 2013 heeft appellant opnieuw een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend in verband met epilepsie.

2.2.

Het Uwv heeft bij besluit van 1 maart 2013, onder intrekking van het besluit van
10 mei 2012, wederom een beslissing genomen op de aanvraag van 3 april 2012 en vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wajong omdat hij niet als studerende is aan te merken. Bij besluit van 4 maart 2013 heeft het Uwv de (herhaalde) aanvraag van 12 februari 2013 voor een Wajong-uitkering afgewezen onder verwijzing naar de besluiten van 10 mei 2012 en 1 maart 2013. Daarbij heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 1 maart 2013 en 4 maart 2013.

2.3.

Bij besluit van 10 juli 2013 heeft het Uwv, onder intrekking van de besluiten van 1 en 4 maart 2013, een beslissing genomen op de aanvraag van 20 februari 2013 (lees:
12 februari 2013)en besloten niet terug te komen van het besluit van 10 mei 2012.

2.4.

Appellant heeft tijdens de hoorzitting bij het Uwv naar voren gebracht dat hij ook psychische klachten heeft, waarvoor hij sinds 2008 in behandeling is van het Riagg, en dat hij al vanaf 2005 epilepsie heeft. Hij is in de gelegenheid gesteld om na de hoorzitting te onderbouwen op grond van welke nieuwe feiten of veranderde omstandigheden een ander besluit genomen zou moeten worden. Appellant heeft vervolgens een brief van het Riagg van 8 mei 2013 ingebracht waarin wordt vermeld dat hij zich in november 2010 heeft aangemeld voor behandeling, dat de behandeling na een succesvolle groepsbehandeling in december 2011 afgesloten is en dat hij zich weer in september 2012 heeft aangemeld. Naast epilepsie lijkt sprake van depressieve en angstgerelateerde gevoelens.

2.5.

Een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv heeft in een rapport van
2 januari 2014 vermeld dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die destijds ook niet bekend hadden kunnen zijn. De brief van het Riagg kan volgens deze arts niet als nieuw feit gelden omdat de psychische klachten ook al eerder naar voren gebracht hadden kunnen worden. Deze arts heeft tevens te kennen gegeven dat de verzekeringsarts in 2012 rekening heeft gehouden met de met epilepsie samenhangende beperkingen in het cognitieve functioneren, het persoonlijk risico en de mogelijkheden tot stresshantering. De inlichtingen van het Riagg geven geen aanleiding om van een wezenlijk andere inschatting van zijn arbeidsongeschiktheid in 2006, 2008, 2009 of 2012 uit te gaan. Mogelijk ligt de eerste arbeidsongeschiktheidsdag eerder, maar er is volgens deze arts geen onderbouwing voor structurele arbeidsbeperkingen rond een eerdere datum.

2.6.

Bij besluit van 14 januari 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren tegen de besluiten van 1 maart 2013 en 4 maart 2013 niet-ontvankelijk verklaard omdat deze besluiten zijn ingetrokken en het bezwaar tegen het besluit van 10 juli 2013 waarin is bepaald dat het Uwv geen aanleiding ziet om terug te komen van het besluit van 10 mei 2012 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het Uwv te allen tijde van een onjuist besluit mag terugkomen dan wel de intrekking hiervan ongedaan mag en kan maken. Omdat destijds geen bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 10 mei 2012 staat dit besluit in rechte vast en heeft het Uwv het verzoek van appellant van 12 februari 2013 op goede gronden opgevat als een verzoek om terug te komen van een onaantastbaar geworden besluit. Het Uwv heeft het bezwaar tegen de besluiten van 1 en 4 maart 2013 terecht niet-ontvankelijk geacht. De rechtbank is van oordeel dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn op grond waarvan het oorspronkelijke besluit herzien dient te worden.

4.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat, omdat het besluit van 10 mei 2012 bij het besluit van 1 maart 2013 was ingetrokken, het besluit van 10 mei 2012 aangemerkt moet worden als een besluit dat nooit genomen is. Tegen het besluit van 1 maart 2013 is tijdig bezwaar gemaakt zodat er een inhoudelijke behandeling dient plaats te vinden. Het besluit van 4 maart 2013 heeft geen rechtsgevolg. Daarbij is naar voren gebracht dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet in december 2008 was. Voorts dient er volgens appellant beoordeeld te worden of zijn beperkingen zijn toegenomen binnen vijf jaar na afloop van de periode van 52 weken waarna was vastgesteld dat hij geen jonggehandicapte was. Volgens appellant heeft hij aangetoond dat zijn gezondheid is achteruit gegaan. Appellant heeft verzocht om benoeming van een deskundige.

4.2.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat een eerdere intrekking van een besluit ongedaan gemaakt kan worden. Het Uwv heeft desgevraagd, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 mei 2016, te kennen gegeven dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de vijf jaar na de beƫindiging van de wachttijd van 52 weken na de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet is toegenomen en dat er geen gegevens zijn op grond waarvan geoordeeld kan worden dat het oorspronkelijke besluit onjuist was.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Op grond van artikel 2:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk de ingezetene die aansluitend op de dag waarop hij 17 jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek gedurende 52 weken niet in staat is geweest met arbeid meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar volledig zal herstellen. Voorts is op grond van onderdeel b van voornoemd artikel jonggehandicapte degene die na de in onderdeel a bedoelde dag waarop hij 17 jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek gedurende 52 weken niet in staat is geweest om met arbeid meer dan 75% te verdienen van het maatmaninkomen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar volledig zal herstellen en hij in het jaar, onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop het als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek is ingetreden, gedurende zes maanden studerende was.

5.2.

Artikel 2:3, tweede lid, van de Wajong bepaalt dat indien de ingezetene geen jonggehandicapte is en binnen vijf jaar na afloop van de periode van 52 weken niet meer in staat is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen als gevolg van een oorzaak die reeds aanwezig was na afloop van de termijn van 52 weken, terwijl niet aannemelijk is dat de ingezetene binnen een jaar volledig zal herstellen, de ingezetene alsnog jonggehandicapte wordt met ingang van de dag waarop hij niet meer in staat is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen.

5.3.

In het in hoger beroep ingebrachte rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 mei 2016 is uitgegaan van de arbeidsongeschiktheid van appellant op de dag dat hij 17 jaar werd en de dag dat hij 18 jaar werd, na een periode van 52 weken. Gelet op dit rapport en omdat ook uit de stukken blijkt dat appellant eerder dan december 2008 epilepsie had, wordt voor de eerste arbeidsongeschiktheidsdag uitgegaan van de dag dat appellant 17 jaar werd. Dit betekent, zoals ter zitting besproken, dat de eerder gestelde toename wegens een door epilepsie veroorzaakte val in februari 2013 buiten beschouwing dient te blijven. Dit valt buiten de termijn van vijf jaar zoals genoemd in artikel 2:3, tweede lid, van de Wajong.

5.4.

Uit de ingebrachte medische inlichtingen komen geen aanwijzingen naar voren dat de beperkingen en mogelijkheden van appellant voor het verrichten van arbeid niet juist zijn vastgesteld. Dit geldt voor zowel de dag dat hij 17 jaar oud werd, [in] 2007, als op de dag na afloop van de periode van 52 weken, als voor de dag, 16 weken na zijn aanvraag in 2012. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 26 mei 2016 erop gewezen dat uit de destijds opgevraagde informatie van de neuroloog van 8 juli 2010 naar voren komt dat tussen de dag dat appellant 17 jaar is geworden en de dag dat hij 18 jaar is geworden, met medicatie geen sprake was van aanvallen. Ook in het ingebrachte huisartsjournaal over de periode van 28 januari 2007 tot 28 januari 2008 is geen melding gemaakt van een optreden/doormaken van een epileptisch insult. De wachttijd is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep vervuld met goed op medicatie reagerende epilepsie. Uit het huisartsenjournaal valt evenmin op te maken dat er binnen vijf jaar na het einde van de wachttijd sprake was van een dusdanige verergering van de epilepsie dat dit maakt dat er meer beperkingen zouden moeten worden aangenomen. Uit de informatie van het Riagg blijkt niet van beperkingen die zijn toegenomen na de dag waarop appellant 18 is geworden omdat appellant pas vanaf november 2010 bij deze instelling bekend is.

5.5.

Omdat er op grond van de voorhanden zijnde informatie geen datum of periode is aan te wijzen waarop of waarin de beperkingen van appellant onjuist zijn vastgesteld, zijn er geen aanknopingspunten om uit te gaan van de onjuistheid van het standpunt van het Uwv over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op de dag dat hij 17 jaar is geworden, de dag na 52 weken nadien, dan wel in de vijf jaar daaropvolgend tot 28 januari 2013. Gelet hierop wordt geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen.

5.6.

Uit de overweging 5.3 tot en met 5.5 blijkt dat het Uwv de mogelijkheden en beperkingen van appellant tussen de dag dat hij 17 jaar is geworden en 28 januari 2013 ook inhoudelijk heeft beoordeeld. Om deze reden ziet de Raad geen aanleiding om een oordeel te geven over de gevolgen van de intrekking van de besluiten van 1 maart 2013 en 4 maart 2013. Dit zou slechts betekenis krijgen indien aangenomen moest worden dat de mogelijkheden en beperkingen van appellant op enig moment niet juist zijn vastgesteld.

6. Gelet hierop kan de aangevallen uitspraak worden bevestigd, zij het met verbetering van gronden. Omdat het beroep niet slaagt wordt het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de schade afgewezen.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de schade af.

Deze uitspraak is gedaan door L. Koper, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2016.

(getekend) L. Koper

(getekend) L.H.J. van Haarlem

SS