Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:5140

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-12-2016
Datum publicatie
12-01-2017
Zaaknummer
15/7739 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo terecht geweigerd. Niet gebleken dat appellante gebeurtenissen heeft meegemaakt die onder de werking van de Wubo kunnen worden gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7739 WUBO

Datum uitspraak: 29 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 30 oktober 2015, kenmerk BZ01864322 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2016. Appellante is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren in 1936, heeft in november 2014 een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor een toeslag ter verbetering van haar levensomstandigheden, een periodieke uitkering, vergoeding van, althans een tegemoetkoming in, de kosten van huishoudelijke hulp en deelname aan het maatschappelijk verkeer. Appellante heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar oorlogservaringen in het voormalig Nederlands-Indië.

1.2.

Bij besluit van 31 maart 2015, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Daartoe heeft verweerder overwogen dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

In artikel 2, eerste lid, van de Wubo wordt omschreven wie onder

burger-oorlogsslachtoffers worden verstaan. Tot deze groep behoren degenen die tijdens de oorlogsjaren 1940‑1945 of gedurende de daaraan aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiap-periode) als burger lichamelijk of psychisch letsel hebben opgelopen ten gevolge van:

- met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen van de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;

- confrontatie met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.

2.2.

De Raad kan verweerder volgen in diens standpunt dat in het geval van appellante niet is gebleken dat zij gebeurtenissen heeft meegemaakt die onder de werking van de Wubo kunnen worden gebracht. Ten aanzien van de tocht van Soerabaja naar Batavia bieden de voorhanden zijnde gegevens onvoldoende grondslag voor de conclusie dat het hier gaat om een vlucht vanuit een levensbedreigende situatie of dat sprake is geweest van levensbedreigende omstandigheden tijdens de vlucht. Ten aanzien van de door appellante genoemde afranselingen is op grond van de gedingstukken niet komen vast te staan dat sprake is geweest van een directe confrontatie met doodslag, executie of zware mishandeling. De door appellante genoemde beschietingen, ten slotte, vallen buiten de periode waarop de Wubo ziet (uiterlijk 27 december 1949), zodat hetgeen appellante in zoverre heeft moeten ondergaan niet kan leiden tot een erkenning als burger-oorlogsslachtoffer.

2.3.

Voor zover appellante heeft gewezen op de honger en armoede merkt de Raad nog op dat - naar vaste rechtspraak - dit algemene oorlogsomstandigheden zijn, waaraan in meerdere of mindere mate eenieder heeft blootgestaan en dat algemene oorlogsomstandigheden niet zijn aan te merken als direct tegen de aanvrager gerichte handelingen of maatregelen in de zin van de artikel 2, eerste lid, van de Wubo.

2.4.

Met het voorgaande is zeker niet miskend dat appellante angstige omstandigheden heeft ervaren, maar de erkenning als burger-oorlogsslachtoffer is gebonden aan de in de Wubo omschreven gebeurtenissen.

2.5.

Uit 2.1 tot en met 2.4 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt, zodat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

3. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2016.

(getekend) B.J. van de Griend

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD