Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:5130

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-12-2016
Datum publicatie
16-01-2017
Zaaknummer
16/2316 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassen kostendelersnorm. Gemotiveerd weerlegd dat sprake is van ongerechtvaardigd onderscheid AOW (geen toepassing KDN) en PW.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 22a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2017/275
RSV 2017/37 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
JWWB 2017/89
USZ 2017/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2316 PW

Datum uitspraak: 27 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

2 maart 2016, 15/4417 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Werksaam Westfriesland (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. Appellant heeft voorts een verzoek om vergoeding van schade ingediend.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2016. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en

omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Hij heeft zijn hoofdverblijf in dezelfde woning als zijn moeder, die een uitkering ingevolge de Algemene ouderdomswet (AOW) ontvangt.

1.2.

Bij besluit van 12 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 augustus 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstandsuitkering van appellant met ingang van 1 juli 2015 verlaagd tot 50% van de norm voor gehuwden in verband met toepassing van de kostendelersnorm op grond van artikel 22a, eerste lid, van de PW.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat vaststaat dat appellant samen met zijn moeder zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning. Daarmee is in beginsel gegeven dat op appellant de kostendelersnorm van toepassing is. Het beroep op ongelijke behandeling slaagt niet omdat de gestelde ongelijke behandeling zich niet voordoet. Een

AOW-gerechtigde is niet gelijk te stellen met een persoon die bijstand ontvangt. Het betreft twee verschillende wetten met verschillende doelstellingen. De besluitvorming van het dagelijks bestuur betreft niet de AOW-uitkering van zijn moeder en anders dan in de AOW is de invoering van de kostendelersnorm in de PW niet uitgesteld.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De PW is met ingang van 1 januari 2015 in werking getreden. In deze zaak is de tekst van artikel 22a van de PW van toepassing zoals die luidde tot 1 januari 2016.

4.2.

De Raad ontleent aan de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 22a van de PW (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 3 t/m 8) dat de wetgever met de introductie van de kostendelersnorm heeft beoogd dat bij de vaststelling van de toepasselijke bijstandsnorm direct rekening wordt gehouden met de voordelen van het kunnen delen van de kosten met één of meer personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Dat in de bijstandswetgeving met die voordelen rekening wordt gehouden is niet nieuw. De bijstandssystematiek tot de invoering van de kostendelersnorm ging er ook al van uit dat personen met een hoofdverblijf in dezelfde woning kosten met elkaar kunnen delen. De bij de uitvoering van de bijstandswetgeving betrokken bestuursorganen hadden tot de inwerkingtreding van de PW in een dergelijke situatie de plicht om overeenkomstig een daartoe vastgestelde verordening de bijstandsuitkering aan te passen door het al dan niet toekennen van een toeslag op, of het toepassen van een verlaging van, de toepasselijke bijstandsnorm. Hierbij werd echter geen rekening gehouden met het aantal kosten delende medebewoners binnen een woning, terwijl de mate waarin de gemiddelde kosten per persoon dalen, door het hoofdverblijf houden in dezelfde woning, wel afhankelijk is van het aantal in de woning verblijvende personen met wie de kosten kunnen worden gedeeld. Met de invoering van de kostendelersnorm in de PW heeft de wetgever rekening willen houden met de schaalvoordelen, die groter zijn naarmate er meer kosten delende medebewoners zijn. De wetgever heeft dit rechtstreeks in de toepasselijke bijstandsnorm tot uitdrukking willen laten komen. Door invoering van de kostendelersnorm blijft volgens de wetgever de vangnetfunctie van de bijstand gewaarborgd, blijft een individueel recht op bijstand behouden, blijft het lonend om te werken en wordt een bijdrage geleverd om de schatkist van de overheid op orde te brengen. Dat geldt ook in het geval van appellant.

4.3.

Bij toepassing van de kostendelersnorm speelt de aard van het inkomen van elk van de

kosten delende medebewoners geen rol. Ook niet als dat inkomen zoals in het geval van de moeder van appellant een AOW-uitkering is waarop de kostendelersnorm niet van toepassing is.

4.4.

Appellant voert aan dat er sprake is van rechtsongelijkheid nu de kostendelersnorm niet van toepassing is op de AOW-uitkering van zijn moeder, maar wel op de hem toegekende bijstand. De Raad vat deze beroepsgrond op als een beroep op het verdragsrechtelijk discriminatieverbod. Voorop moet worden gesteld dat dit discriminatieverbod, als bedoeld in artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet meebrengt dat elke ongelijke behandeling van gelijke gevallen verboden is, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. Daarbij verdient opmerking dat op het gebied van de sociale zekerheid/verzekering aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en, in het bevestigende geval, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. In dit geval kan niet gesproken worden van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, nu sprake is van wetten met verschillende doelstellingen, waardoor ze in die zin verschillen dat de PW een voorziening is en de AOW een volksverzekering. Daarnaast is het in beginsel aan de wetgever algemene en individuele belangen tegen elkaar af te wegen en op basis daarvan een regeling in het leven te roepen. In dit verband is van belang dat uit de in 4.2 genoemde geschiedenis van de totstandkoming van de PW blijkt dat het aanvankelijk de bedoeling was dat de kostendelersnorm gelijktijdig in de PW en de AOW zou worden ingevoerd. De kostendelersnorm is evenwel door het aannemen van een amendement van 5 februari 2014 (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 32) uit de AOW gehouden. Daarvoor achtte de wetgever redengevend dat er een fundamenteel onderscheid moet worden gemaakt tussen een voorziening (WWB) en een volksverzekering (AOW), zodat de kostendelersnorm strijdig werd geacht met voorgenomen maatregelen in het kader van de langdurige zorg en dat mensen met een AOW-uitkering niet de mogelijkheid hebben om hun inkomenspositie te verbeteren door te gaan werken.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.6.

Omdat het hoger beroep van appellant niet slaagt zal het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en J.L. Boxum en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2016.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD