Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:5122

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-12-2016
Datum publicatie
06-01-2017
Zaaknummer
15/3697 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WW-uitkering terecht blijvend geheel geweigerd. Aan het ontslag ligt een dringende reden ten grondslag. Niet is gebleken van persoonlijke omstandigheden van appellant die meebrengen dat van een arbeidsrechtelijke dringende reden geen sprake is. Gelet op de voortvarendheid waarmee werkgever heeft gereageerd op de aan het ontslag ten grondslag gelegde gedragingen, ligt er aan de werkloosheid ook een subjectief dringende reden ten grondslag. Het Uwv heeft terecht geconcludeerd dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Niet kan worden gezegd dat appellant het niet nakomen van de verplichting om werkloosheid te voorkomen niet in overwegende mate kan worden verweten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3697 WW

Datum uitspraak: 28 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
20 april 2015, 14/1974 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[woonplaats] als derde-belanghebbende partij (werkgever)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens werkgever heeft mr. A.C.C. Balke, advocaat, zich gesteld als derde-belanghebbende, en een zienswijze ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit. Namens werkgever is verschenen mr. Balke.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1 augustus 2010 werkzaam bij werkgever in de functie van applicatiebeheerder.

1.2.

Op 25 oktober 2011 is met appellant gesproken over zijn afwezigheid zonder toestemming op 21 oktober 2011 en 24 oktober 2011 en over het verzenden op
25 oktober 2011 door appellant van een sms aan een collega dat hij nog een dag vrij neemt en niet komt. Hiervoor heeft appellant op 31 oktober 2011 een schriftelijke waarschuwing ontvangen, waarbij is opgemerkt dat een volgende keer een schriftelijke berisping zal volgen.

1.3.

Op 26 november 2012 is appellant opnieuw zonder toestemming niet op het werk verschenen. Bij besluit van 5 december 2012 heeft werkgever appellant hiervoor een schriftelijke berisping gegeven.

1.4.

Op 25 juni 2013 is tussen appellant, zijn leidinggevende [P.] en de personeelsadviseur afgesproken dat werkgever de privéschulden van appellant zal betalen en daarvoor 225,25 verlofuren van appellant inzet. Daarmee zouden de loonbeslagen van appellant komen te vervallen. Ook is afgesproken dat appellant zijn leidinggevende op de hoogte houdt van betalingsproblemen om nieuwe loonbeslagen te voorkomen.

1.5.

Op 24 september 2013 hebben [P.] en appellant met elkaar een gesprek gevoerd. Hiervan heeft [P.] een verslag opgemaakt. In dit verslag is (onder meer) opgenomen dat appellant de afspraken over het opnemen van verlof niet is nagekomen, dat appellant geen toestemming heeft gekregen om in 2013 gedurende langer dan tien aaneengesloten dagen met verlof te gaan en dat hij dus wordt geacht gewoon op kantoor aanwezig te zijn.

1.6.

Op 27 september 2013 heeft appellant [P.] via een sms gemeld dat hij niet kan inloggen. Op 30 september 2013 is appellant niet verschenen bij een gesprek met [P.]. Op diezelfde dag heeft [P.] appellant per e-mail medegedeeld dat hij zonder overleg en opgaaf van reden afwezig is, en heeft [P.] hem gevraagd om alsnog naar het werk te komen. In reactie daarop heeft appellant [P.] op 30 september 2013 via e-mail medegedeeld dat het zonder account voor hem geen zin heeft om te komen. [P.] heeft appellant vervolgens diezelfde dag per e-mail medegedeeld dat hij ongeoorloofd afwezig is, en dat hij zich dus alsnog dient te melden. Nadat [P.] op 1 oktober 2013 heeft geconstateerd dat appellant nog niet op het werk is verschenen, heeft hij hem die dag per e-mail medegedeeld dat hij opnieuw en bij herhaling ongeoorloofd afwezig is.

1.7.

Werkgever heeft appellant vervolgens op 2 oktober 2013 medegedeeld dat het voornemen bestaat om hem de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag als bedoeld in artikel 8:13 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Harderwijk op te leggen wegens ernstig plichtsverzuim. Bij besluit van 10 oktober 2013 heeft werkgever appellant met onmiddellijke ingang strafontslag verleend. Aan het strafontslag is (onder meer) als ernstig plichtsverzuim ten grondslag gelegd dat appellant zonder overleg en toestemming vakantie heeft gepland in de periode van
30 september 2013 tot en met 25 oktober 2013, en dat hij vanaf 30 september 2013 ongeoorloofd afwezig was. Bij besluit van 31 januari 2014 heeft werkgever het daartegen gerichte bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het ontslagbesluit gehandhaafd. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft in de uitspraak van 24 april 2014 het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard, en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De Raad heeft in zijn uitspraak van 2 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2184) de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.8.

Appellant heeft op 19 maart 2014 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 21 maart 2014 heeft het Uwv de WW-uitkering met ingang van 10 oktober 2013 blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Bij besluit van 30 juni 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 maart 2014 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de werkloosheid van appellant een dringende reden ten grondslag ligt en dat appellant daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Het Uwv heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant geen toestemming had gekregen voor zijn vakantie van 30 september 2013 tot en met 25 oktober 2013 en dus vanaf 30 september 2013 ongeoorloofd afwezig was.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de stukken is gebleken dat appellant ondanks dringende verzoeken van [P.] op 30 september 2013 en 1 oktober 2013 niet op zijn werk is verschenen. Zo het appellant daarvóór wellicht niet duidelijk is geweest dat hem geen toestemming was verleend voor zijn vakantie, dan had hem dat uit de inhoud van de verzoeken van [P.] zeker duidelijk moeten zijn. Stukken waaruit blijkt dat appellant wel uitdrukkelijk toestemming is verleend voor zijn vakantie bevinden zich niet onder de stukken en heeft appellant ook niet in het geding gebracht. De rechtbank heeft dan ook vastgesteld dat appellant zonder toestemming van werkgever op vakantie is gegaan, ook nadat [P.] hem uitdrukkelijk had verzocht op het werk te verschijnen. Het Uwv heeft dan ook tot de conclusie kunnen komen dat door toedoen van appellant een situatie is ontstaan waarin het redelijkerwijs niet van werkgever gevergd kon worden de arbeidsrelatie nog langer voort te laten duren. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat appellant eerder wegens ongeoorloofde afwezigheid al een waarschuwing en een berisping heeft gekregen. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van een objectief en subjectief dringende reden voor ontslag, en dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding is om van verminderde verwijtbaarheid uit te gaan.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant betoogd dat geen sprake is van een dringende reden. Daartoe heeft appellant gesteld dat hij reeds in februari 2013 zijn vakantie heeft ingevuld in Outlook, en dat hij deze in juli 2013 heeft ingevoerd in het systeem ‘Timewise’, van waaruit de leidinggevende automatisch een melding krijgt. Hij heeft erop gewezen dat de normale gang van zaken was dat vakanties niet actief ‘geaccordeerd’ werden door [P.]. Appellant heeft de inhoud van het verslag van het gesprek op 24 september 2013 betwist. Hij heeft gesteld dat [P.] hem in dat gesprek heeft gemeld dat hij nog niet wist of hij appellant toestemming zou geven voor zijn vakantie, en dat [P.] na dat gesprek niet meer (mondeling of schriftelijk) is teruggekomen op deze vakantie, hetgeen wel verwacht had mogen worden. Volgens appellant staat dan ook feitelijk niet vast dat hem is medegedeeld dat hij niet met vakantie mocht, en is (zelfs) niet aannemelijk dat dit wel aan hem is medegedeeld. Ter zitting van de Raad heeft appellant gesteld dat, gelet op de feiten en omstandigheden, sprake is van een disproportionele reactie van werkgever.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

3.3.

Ook werkgever heeft in zijn zienswijze bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. In dat kader heeft werkgever gesteld dat appellant wist dat hij in het gesprek van
24 september 2013 geen toestemming had gekregen voor zijn vakantie, en dat ook op grond van het contact op 30 september 2013 tussen appellant en [P.] duidelijk had moeten zijn dat hij geen toestemming had voor zijn vakantie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Voor een weergave van het wettelijk kader wordt verwezen naar overweging 3.1 van de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.1.2.

Ingevolge artikel 6:2:2, derde lid, eerste volzin, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst van de gemeente Harderwijk berust de beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden gesplitst, bij het bestuursorgaan dat de vakantie verleent.

4.1.3.

Ingevolge artikel 9, eerste volzin, van de Regeling variabele werktijden Sociale Dienst Veluwerand dient voor het opnemen van een urentegoed binnen de bloktijden tevoren toestemming van de leidinggevende te zijn verkregen.

4.2.

Gezien de tegen de aangevallen uitspraak aangevoerde gronden ligt in hoger beroep de vraag voor of aan het ontslag van appellant een dringende reden ten grondslag heeft gelegen.

4.3.

Uit de onder 4.1.2 en 4.1.3 vermelde artikelen blijkt dat voor (het opnemen van) vakantie toestemming is vereist van het bestuursorgaan c.q. de leidinggevende. Dat appellant uitdrukkelijk toestemming is verleend voor zijn vakantie volgt niet uit de gedingstukken. Op 24 september 2013 hebben [P.] en appellant gesproken over (onder meer) de door appellant geboekte vakantie van 30 september 2013 tot en met 25 oktober 2013. Appellant heeft het door [P.] opgestelde verslag van het op 24 september 2013 gevoerde gesprek betwist. Appellant heeft gesteld dat [P.] hem op 24 september 2013 heeft medegedeeld dat hij niet wist of hij toestemming kon geven voor de vakantie van appellant in de periode van 30 september 2013 tot en met 25 oktober 2013. Daarmee heeft appellant evenwel erkend dat hij geen toestemming heeft gekregen van zijn werkgever voor zijn vakantie in voornoemde periode. Bovendien heeft appellant geen gevolg gegeven aan het verzoek van werkgever op 30 september 2013 om naar het werk te komen. Hij heeft per e-mail gereageerd op dat verzoek en gesteld hij geen zin had om te komen “zonder SDV account”. Uit die e-mail blijkt dat hij op de hoogte was van het verzoek om op 30 september 2013 te verschijnen. Appellant was dan ook vanaf 30 september 2013 ongeoorloofd afwezig. Hierin is een objectief dringende reden voor ontslag gelegen. Daarbij wordt betrokken dat voor appellant, gelet op de in 1.2 en 1.3 vermelde waarschuwing en berisping, duidelijk was, dan wel had moeten zijn, dat in geval van afwezigheid voorafgaande toestemming van zijn leidinggevende vereist was. Daarbij was appellant al voor aanvang van de zomerperiode meegedeeld dat er in verband met een voor eind oktober 2013 geplande update van het systeem de overige automatiseringswerkzaamheden afgerond moesten zijn, zodat er in die periode geen sprake kon zijn van een langdurige opname van verlof.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat aan het ontslag een dringende reden ten grondslag ligt. Niet is gebleken van persoonlijke omstandigheden van appellant die meebrengen dat van een arbeidsrechtelijke dringende reden geen sprake is. Gelet op de voortvarendheid waarmee werkgever heeft gereageerd op de aan het ontslag ten grondslag gelegde gedragingen, ligt er aan de werkloosheid ook een subjectief dringende reden ten grondslag. Het Uwv heeft terecht geconcludeerd dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Niet kan worden gezegd dat appellant het niet nakomen van de verplichting om werkloosheid te voorkomen niet in overwegende mate kan worden verweten. Gelet hierop is de WW-uitkering terecht blijvend geheel geweigerd.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en H.G. Rottier en
F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 december 2016.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) B. Dogan

SS