Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:5113

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-12-2016
Datum publicatie
06-01-2017
Zaaknummer
16/332 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag bedrijfskrediet op grond van BBZ 2004. Niet levensvatbaar. Deugdelijke motivatie. Niet onjuist of onzorgvuldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/332 WWB

Datum uitspraak: 27 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

8 december 2015, 15/1189 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Buijs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J. Jelsma, kantoorgenoot van mr. Buijs. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J. Olthof.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt met ingang van 1 september 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Op 8 september 2014 heeft appellant een aanvraag ingediend voor algemene bijstand en een bedrijfskrediet van € 35.000,- op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor het starten van een bedrijf onder de handelsnaam [handelsnaam] . De bedrijfsactiviteiten zullen zijn gericht op de export van diverse goederen naar Oekraïne. De goederen die appellant wil gaan exporteren zijn onder meer bedrijfsauto’s, machines, medicijnen, (tweedehands) kleding, (tweedehands) fietsen en meubelen.

1.3.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) advies gevraagd over de levensvatbaarheid van het bedrijf van appellant. Het IMK heeft op 9 oktober 2014 een adviesrapport (adviesrapport) uitgebracht. Het IMK heeft appellant aangemerkt als een startende ondernemer en heeft geadviseerd de

Bbz-aanvraag af te wijzen op de grond dat het bedrijf niet levensvatbaar is. Het IMK baseert deze conclusie, samengevat, op de volgende bevindingen. Appellant heeft geen ervaring als ondernemer en er is geen financiële buffer aanwezig. Hij heeft wel enkele contacten in Oekraïne maar die zijn niet concreet. De marktmogelijkheden in Oekraïne kan het IMK niet beoordelen. Er is geen samenhang in de producten die appellant wil exporteren. Appellant wil handelsgoederen inkopen op basis van de vraag vanuit Oekraïne. De kwantitatieve onderbouwing is matig en er zijn nog een groot aantal onduidelijkheden met betrekking tot de beoogde bedrijfsopzet. Het financieel plan is onvoldoende en weinig concreet. Ook zijn er meerdere hiaten geconstateerd. Tevens is sprake van een sterk negatief vermogen, zodat eerst schuldsanering voor de openstaande privé-schulden noodzakelijk zal zijn. Het gevraagde krediet is te laag om de handelsactiviteiten te kunnen blijven uitvoeren.

1.4.

Appellant heeft bij brief van 16 oktober 2014 op het adviesrapport gereageerd en onder meer gesteld dat het IMK zijn rapport heeft gebaseerd op een concept-ondernemingsplan en niet op het definitieve ondernemingsplan. Het IMK heeft bij brief van 21 oktober 2014 geconcludeerd dat de reactie van appellant geen concrete relevante gegevens en bewijzen bevat, zodat het advies ongewijzigd blijft. De definitieve versie van het ondernemingsplan zal hier naar verwachting niets aan veranderen.

1.5.

Bij besluit van 30 oktober 2014 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat het bedrijf niet levensvatbaar is.

1.6.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellant heeft het IMK op verzoek van het college het definitieve ondernemingsplan beoordeeld. Op 12 december 2014 heeft het IMK een vervolgadvies uitgebracht. Het IMK heeft, samengevat, geconcludeerd dat het definitieve ondernemingsplan veel overeenkomsten kent met het eerder beoordeelde ondernemingsplan. Het marketingplan is wel uitgebreid en er worden enkele concrete voorbeelden gegeven. Ook is een concurrentieanalyse en een SWOT-analyse toegevoegd. In het investeringsplan in het definitieve ondernemingsplan gaat appellant echter voorbij aan de noodzakelijke sanering van zijn huidige schuldpositie. Verder blijft de exploitatiebegroting onoverzichtelijk en onjuist. In het adviesrapport is reeds uitgegaan van de informatie van appellant, die heeft aangegeven met een eigen transportmiddel te rijden en deze in Oekraïne te verkopen. Als ook de afhandeling van de verkopen in Oekraïne zonder personeelskosten kan plaatsvinden, omdat de benodigde hulp gratis beschikbaar wordt gesteld, zoals appellant aangeeft, en de personeelskosten buiten beschouwing worden gelaten, dan leidt dit nog steeds tot een liquiditeitsverlies. Het IMK heeft ook in het vervolgadvies geadviseerd de aanvraag af te wijzen omdat het bedrijf niet levensvatbaar is.

1.7.

Bij besluit van 2 maart 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 30 oktober 2014, onder verwijzing naar het adviesrapport en het vervolgadvies van het IMK, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond heeft verklaard, gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Een levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep is volgens artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan. Dit betekent dat het inkomen toereikend dient te zijn om alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan.

4.2.

Voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf is bepalend de situatie van het bedrijf ten tijde van het besluit op de aanvraag. Een bijstandverlenend orgaan is in zaken als hier aan de orde gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op concrete adviezen van deskundige instanties als het IMK. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het advies van het IMK op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, feitelijke onjuistheden bevat of ondeugdelijk is gemotiveerd.

4.3.

De grond van appellant, inhoudende dat het advies van het IMK onvoldoende is gemotiveerd omdat het IMK de marktmogelijkheden in de Oekraïne niet heeft onderzocht en met de situatie in Oekraïne geen rekening heeft gehouden, slaagt niet. Het advies van het IMK over de levensvatbaarheid van het bedrijf van appellant is in het adviesrapport immers gebaseerd op verschillende bevindingen. Uit het adviesrapport blijkt weliswaar dat het IMK de marktmogelijkheden in Oekraïne niet heeft kunnen onderzoeken, maar in de commerciële analyse van het ondernemingsplan van appellant is rekening gehouden met

branche-informatie van exportondernemingen. Hieruit volgt dat voor een succesvolle exportonderneming ervaring met exporteren, meerdere betrouwbare contacten in het exportland en een redelijke financiële buffer een vereiste is. Het IMK heeft vastgesteld dat sprake is van problematische schulden privé, welke schulden door appellant niet worden betwist. Het IMK heeft verder geconstateerd dat er geen samenhang te ontdekken is in de door appellant te exporteren goederen en gelet op de diversiteit aan goederen een beoordeling feitelijk niet te maken is. Verder heeft het IMK, hoewel een analyse van de markt in Oekraïne niet is te maken, wel op basis van de financiële mogelijkheden van appellant een financiële analyse gemaakt en heeft daarbij de door appellant genoemde winstopslag als uitgangspunt genomen. Het IMK heeft geoordeeld dat het financieel plan onvoldoende is. Er zijn meerdere hiaten geconstateerd. Zo wordt geen rekening gehouden met aanloopkosten en voorfinanciering omzetbelasting. De kwantitatieve onderbouwing is als matig beoordeeld. Appellant heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat de aard van de verschillende goederen ook een (aanzienlijk) verschil in inkoopkosten, invoerrechten en omzet met zich zal brengen.

4.4.

Anders dan appellant betoogt, blijkt uit het vervolgadvies dat het IMK de verschillen tussen het concept-ondernemingsplan en het definitieve ondernemingsplan heeft onderkend. Daarbij heeft het IMK in het vervolgadvies deugdelijk gemotiveerd dat ook indien de personeelskosten buiten beschouwing zouden blijven, geen sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Ook blijkt hieruit dat het IMK de door appellant gegeven concrete voorbeelden heeft meegenomen. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het advies van het IMK, gelet op de bevindingen in het adviesrapport en het vervolgadvies, in samenhang bezien, deugdelijk is gemotiveerd.

4.5.

Voorts heeft appellant niet met concrete en objectieve stukken aangetoond dat het advies van het IMK onjuist of onzorgvuldig tot stand is gekomen. Ten slotte vormen volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3289) louter eigen verwachtingen van de betrokkene omtrent de te verwachten omzet, en daarmee de levensvatbaarheid, onvoldoende basis voor het toekennen van een bedrijfskrediet en/of een bijstandsuitkering als (startende) zelfstandige.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en G.M.G. Hink en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2016.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) J.L. Meijer

HD