Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:5109

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2016
Datum publicatie
06-01-2017
Zaaknummer
15/8530 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag verleend uit zijn aanstelling. Appellant kwam op grond van het omgekeerde anciënniteitsbeginsel in aanmerking voor ontslag. Het dienstverband van de collega was ten tijde van het ontslagbesluit immers langer dan dat van appellant. Het college is met het ontslagbesluit zijn ruime discretionaire bevoegdheid niet te buiten gegaan. Het betoog van appellant dat het ontslagbesluit niet rechtsgeldig is omdat geen besluit tot opheffing van de functie is genomen, slaagt niet. De werkzaamheden van appellant zijn in zijn geheel overgegaan en zijn functie moet als opgeheven worden beschouwd. Dat het opheffen van de functie niet is neergelegd in een opheffingbesluit doet hieraan niet af en staat als zodanig niet in de weg aan de bevoegdheid van het college om appellant met toepassing van artikel 8:3, eerste lid, van de CAR/UWO te ontslaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8530 AW

Datum uitspraak: 22 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 18 november 2015, 15/837 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Grave (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.J.M. Vloet, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.M. Richters en G.M.C. Loeffen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 2 september 1991 werkzaam bij de gemeente Grave, laatstelijk in de functie van [naam functie A] met een betrekkingsomvang van 0,789 fte.

1.2.

In 2009 zijn gemeenten, provincies, rijksoverheid en waterschappen overeengekomen de organisatie en uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving op het gebied van milieu te verbeteren. In dat kader zijn binnen de provincie Noord-Brabant drie regionale uitvoeringsdiensten (RUD’s) gevormd. Deze diensten zijn belast met taken, die voorheen bij de gemeenten en provincie lagen. Eén van deze uitvoeringsdiensten is de omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN).

1.3.

In overleg met de vakbonden is het Sociaal Beleidskader voor de RUD’s Brabantbreed (SBK) vastgesteld, waarin de rechtspositionele en arbeidsvoorwaardelijke gevolgen zijn geregeld voor de betrokken ambtenaren die naar een RUD overgaan.

1.4.

Bij besluit van 23 april 2013 heeft het college ingestemd met het voorstel tot instelling van een gemeenschappelijke regeling ODBN en tot overdracht van de taken als bedoeld in de pakketten 1 en 2 aan de ODBN. In vervolg op dat besluit heeft het college bij separaat besluit van 23 april 2013 ingestemd met het voorstel om in beginsel de personele rechten en verplichtingen met betrekking tot het dienstverband van appellant en Ko over te dragen aan de ODBN en om de afdelingsmanager Ruimte en Wonen opdracht te geven dat mogelijk te maken door een herordening van de taakverdeling tussen appellant en K.

1.5.

Bij besluit van 12 december 2013 heeft het college, overeenkomstig het voornemen daartoe, de functie van appellant overgedragen aan de ODBN en hem per 1 januari 2014 eervol ontslag verleend uit zijn aanstelling bij de gemeente Grave op grond van artikel 8:3 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) en artikel 5, eerste lid, van het SBK. Gelijktijdig is appellant aangesteld bij de ODBN. Bij besluit van 5 februari 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van

12 december 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dit besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de functie van appellant, gelet op het feitelijk verdwijnen van het samenstel van werkzaamheden van die functie, is opgeheven. De rechtbank acht de onderbouwing door het college voor het opheffen van de functie van appellant - zijnde dat uit de capaciteitsplanning voor het jaar 2013 volgt dat appellant, naar rato, meer uren dan zijn directe collega K besteedt aan taken die worden overgedragen aan de ODBN, onvoldoende. De rechtbank heeft aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat de betrekkingsomvang van appellant exact aansloot bij de formatie die nog naar de ODBN zou moeten overgaan en het college ervoor heeft gekozen om medewerkers voor hun oorspronkelijke betrekkingsomvang niet twee deeltijdaanstellingen te geven. Een overgang van K naar de ODBN zou twee deeltijdaanstellingen impliceren, omdat zij een aanstelling heeft voor 1 fte.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 8:3, eerste lid, van de CAR/UWO bepaalt dat aan een ambtenaar ontslag kan worden verleend wegens opheffing van zijn functie of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten.

4.2.

Appellant heeft in de kern aangevoerd dat niet hij maar zijn directe collega K in aanmerking had behoren te komen voor ontslag en gelijktijdige plaatsing bij de ODBN. Zowel appellant als K vervulden de functie van [naam functie A]. Appellant heeft gemotiveerd betoogd dat het door het college ingenomen standpunt dat hij naar rato minder taken uit het over te dragen takenpakket 1 en 2 verrichtte dan zijn collega K, niet juist is. Het college heeft appellant ten onrechte, na een wijziging van de verdeling van taken, aangewezen als taak- dan wel functievolger. Appellant betwist verder dat de omvang van het over te dragen takenpakket precies aansluit bij zijn aanstelling, te weten 0,789 fte. Hij heeft in dat verband gewezen op het collegebesluit van 27 augustus 2013 om, naast takenpakket 1 en 2, extra taken over te dragen aan de ODBN. Het college had met inachtneming van dat besluit opnieuw moeten bezien welke medewerker in aanmerking kwam voor ontslag.

4.3.

Het betoog van appellant kan niet leiden tot het door hem beoogde doel, te weten herroeping van het ontslagbesluit. Daartoe is het volgende van belang. Het college heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het ontslag van appellant in overeenstemming is met de “Handreiking om te komen tot preallocatie van taakvolgers, in het verlengde van de taakoverdracht naar de RUD’s” van 14 maart 2013 (Handreiking) . Deze Handreiking is tot stand gekomen als een gezamenlijk stuk van de werkgevers en werknemersdelegatie in het Technisch Beraad van het Provinciebreed Bijzonder Georganiseerd Overleg en is specifiek bedoeld om te kunnen bepalen welke medewerkers van de latende organisatie overgaan naar de RUD’s binnen Noord-Brabant en bevat een procedure voor de situatie waarin de aan de ODBN over te dragen taken versnipperd zijn neergelegd bij meerdere medewerkers van de latende organisatie. Indien sprake is van medewerkers waarvan de eigen functie voor minder dan 50% maar voor meer dan 20% bestaat uit RUD-taken, kunnen deze worden aangewezen als taakvolgers, mits het totaal aan RUD-taken meer omvat dan 0,5 formatie-eenheden. De latende organisatie bepaalt de omvang van de taak die overgaat en wijst vervolgens uit de medewerkers die deze taak gedeeltelijk uitvoeren, één of meerdere medewerkers aan. Ook hier geldt dat de aangewezen medewerker naar de RUD overgaat voor zijn volledige betrekkingsomvang.

4.4.

Zowel appellant als K waren voor meer dan 20% en minder dan 50% taakvolger, waarbij het totaal aantal RUD-taken meer omvatte dan 0,5 formatie-eenheden. In overeenstemming met de in de Handreiking beschreven procedure kwamen zowel appellant als K daarom in beginsel in aanmerking om te worden aangewezen als taakvolger. De Raad volgt het standpunt van het college dat, eveneens in overeenstemming met de in de Handreiking beschreven procedure, appellant op grond van het omgekeerde anciënniteitsbeginsel in aanmerking kwam voor ontslag. Het dienstverband van K ten tijde van het ontslagbesluit was immers langer dan dat van appellant. Dat betekent dat het college met het ontslagbesluit zijn ruime discretionaire bevoegdheid in deze niet te buiten is gegaan.

4.5.

Het betoog van appellant dat het ontslagbesluit niet rechtsgeldig is omdat geen besluit tot opheffing van de functie is genomen, slaagt niet. Uit het voorgaande, in het bijzonder overweging 4.3 en 4.4 volgt dat de werkzaamheden van appellant in zijn geheel zijn overgegaan en zijn functie als opgeheven moet worden beschouwd. Dat het opheffen van de functie niet is neergelegd in een opheffingbesluit doet hieraan niet af en staat als zodanig niet in de weg aan de bevoegdheid van het college om appellant met toepassing van artikel 8:3, eerste lid, van de CAR/UWO te ontslaan.

4.6.

Appellant heeft nog betoogd dat hij ten onrechte is uitgesloten van deelname aan de herplaatsingsprocedure in het kader van de, gelijktijdig lopende, ambtelijke fusie tussen de gemeente Cuijk, Grave en Mill en Sint Hubert (CGM). Deze grond valt, wat er verder ook zij van de mededeling aan appellant dat hij niet in aanmerking kwam voor deelname aan deze herplaatsingsprocedure omdat zijn functie is overgedragen aan de ODBN, buiten de omvang van dit geding en zal daarom onbesproken worden gelaten.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient met verbetering van gronden te worden bevestigd.

5. De Raad ziet in de door het college pas in hoger beroep onder 4.3 gegeven motivering aanleiding om het college te veroordelen in de door appellant in hoger beroep gemaakte kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 992,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 992,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 248,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M.T. Boerlage en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2016.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) L.L. van den IJssel

HD