Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:5107

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-12-2016
Datum publicatie
05-01-2017
Zaaknummer
15/5975 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Niet voldoende inzicht financiële omstandigheden periode voor aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5975 WWB

Datum uitspraak: 27 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

22 juli 2015, 14/7649 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A. van Heijningen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2016. Namens appellant is verschenen mr. Van Heijningen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. I. van Kesteren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 30 april 2014 gemeld om bijstand aan te vragen ingevolge de Wet werk en bijstand. Op 12 mei 2014 heeft hij de aanvraag ingediend.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag en het op 15 mei 2014 met appellant gevoerde intakegesprek heeft de afdeling Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar onder meer de middelen van appellant. In het kader van dit onderzoek heeft appellant op 8 juli 2014 een verklaring afgelegd.

1.3.

Bij besluit van 10 juli 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 november 2014 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen.

1.4.

Naar aanleiding van het tegen bestreden besluit 1 ingestelde beroep heeft het college appellant nogmaals in de gelegenheid gesteld objectieve en verifieerbare gegevens in te leveren waaruit blijkt op welke wijze hij in de periode voorafgaand aan zijn aanvraag in de kosten van levensonderhoud heeft voorzien. In verband hiermee heeft het college appellant wederom uitgenodigd voor een hoorzitting. Bij besluit van 10 maart 2015

(bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 juli 2014 wederom ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 2 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over de wijze waarop hij in de periode voorafgaande aan de aanvraag om bijstand in zijn levensonderhoud heeft voorzien, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant er niet in is geslaagd de onduidelijkheid over zijn financiële situatie weg te nemen. Appellant heeft zijn stelling dat hij in de periode voorafgaand aan de aanvraag en ook tijdens de aanvraagperiode heeft geleefd van leningen niet met stukken onderbouwd. Ook heeft hij onvoldoende duidelijkheid verschaft over de verhuur van zijn woning en de daaruit verkregen inkomsten.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 12 mei 2014 tot en met 10 juli 2014.

4.2.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient onder meer duidelijkheid te verschaffen over zijn financiële situatie, zo nodig ook voor de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Indien de betrokkene niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij, door middel van de door hem afgelegde verklaringen, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waar hij in de periode voorafgaand aan de aanvraag van heeft geleefd. Deze beroepsgrond slaagt niet. De enkele verklaring van appellant, inhoudende dat hij heeft geleefd van leningen en giften van vrienden en familieleden alsmede van huuropbrengsten, zijn hiertoe niet toereikend. Hierbij is van belang dat de verklaringen van appellant inconsistent zijn voor wat betreft de personen van wie hij geld heeft geleend en onvoldoende concreet met betrekking tot de ontvangen bedragen. Ook met betrekking tot de verhuur van een kamer in zijn woning heeft appellant wisselende verklaringen afgelegd. Ondanks dat appellant daartoe diverse keren door het college in de gelegenheid is gesteld, heeft hij nagelaten zijn verklaringen nader te onderbouwen. Als gevolg daarvan is de onduidelijkheid over de financiële situatie van appellant blijven voortbestaan, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het college heeft de aanvraag van 12 mei 2014 dan ook terecht afgewezen.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2016.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) A. Mansourova

HD