Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:5091

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-12-2016
Datum publicatie
03-01-2017
Zaaknummer
16/2355 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtbank terecht overwogen dat bij voorliggende ontslag, redenen van gewichtige aard in overwegende mate betrekking moeten hebben op de persoon van de betrokkene en zijn directe werksituatie. Dat appellant is veroordeeld voor mishandeling van zijn vriendin is terecht aangemerkt als redenen van gewichtige aard. Dat gedraging in privétijd heeft plaatsgevonden maakt niet dat daaraan geen belang kan worden gehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2017/673
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2355 AW

Datum uitspraak: 29 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

14 maart 2016, 15/5547 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appelant] te [woonplaats] (appellant)

het bestuur van de Stichting Sirius (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Amrani, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het bestuur heeft mr. G.J. Heussen, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Amrani. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Heussen en J. Faber.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als [naam functie] op basisschool [naam school A] , één van de scholen van de Stichting Sirius (stichting).

1.2.

Op 1 november 2013 is appellant op verzoek van de politie door de schooldirecteur naar het politiebureau gebracht, waar appellant is aangehouden op verdenking van een gepleegd delict.

1.3.

Op 5 november 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen appellant, de schooldirecteur en een medewerkster van P&O. Appellant heeft verklaard dat hij verbaal en fysiek geweld tegen zijn vriendin heeft gebruikt, dat hij wordt aangeklaagd wegens poging tot wurging en dat hij heeft vastgezeten tot 4 november 2013. Appellant heeft verder verklaard dat hij is vrijgesproken door de rechter-commissaris. Het bestuur heeft appellant vervolgens een time-out gegeven tot 8 november 2013.

1.4.

Bij brief van 11 november 2013 heeft het bestuur voorwaarden gesteld aan de terugkeer van appellant. Appellant dient de stichting op de hoogte te stellen van elke verdere justitiële stap en een afschrift van het proces-verbaal van het verhoor of de uitspraak van de

rechter-commissaris toe te sturen. Indien appellant daaraan geen gevolg geeft, geldt dat hij per direct niet verder kan werken. Verder staat in de brief dat een ontslagprocedure wordt ingezet, mocht appellant door de strafrechter schuldig worden verklaard aan een geweldsdelict of een ander misdrijf dat niet verenigbaar is met de voorbeeldfunctie van [naam functie] en daarvoor worden veroordeeld met een (on)voorwaardelijke straf, een alternatieve straf of taakstraf.

1.5.

Appellant heeft geweigerd om de bij brief van 11 november 2013 opgevraagde stukken te overleggen en heeft geen opening van zaken willen geven over de strafrechtelijke procedure. Het bestuur heeft appellant wederom een time-out gegeven van 9 december 2013 tot en met 23 januari 2014. Het bestuur heeft diverse malen kenbaar gemaakt het dienstverband te willen beëindigen. Appellant is daar niet op ingegaan. Ook het functioneren van appellant is onvoldoende bevonden. De schooldirecteur van basisschool [naam school A] heeft vervolgens bij het bestuur kenbaar gemaakt dat hij geen vertrouwen meer heeft in appellant, vanwege disfunctioneren, het niet nakomen van verlofafspraken en de weigering opening van zaken te geven.

1.6.

Begin januari 2014 is appellant wegens de ontstane commotie op basisschool [naam school A] over de hele affaire overgeplaatst naar basisschool [naam school B] , eveneens deel uitmakend van de stichting.

1.7.

Op 23 januari 2015 hebben twee opsporingsambtenaren van de politie de basisscholen [naam school A] en [naam school B] bezocht om appellant te zoeken, waarbij zij hebben meegedeeld dat appellant is veroordeeld en nog 28 dagen moet uitzitten.

1.8.

Na daartoe het voornemen bekend te hebben gemaakt, waarop appellant zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft het bestuur bij besluit van 25 februari 2015 aan appellant ontslag verleend met ingang van 1 maart 2015, primair op grond van artikel 4.7, aanhef en onder h, van de Collectieve arbeidsovereenkomst 2014-2015 voor het Primair Onderwijs (CAO PO), wegens een onvoorwaardelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf. Subsidiair is dit ontslag verleend op grond van artikel 4.7, aanhef en onder k, van de CAO PO, wegens redenen van gewichtige aard. Bij besluit van 25 augustus 2015 (bestreden besluit) is het ontslag, na bezwaar, in navolging van het advies van de bezwaaradviescommissie, op de subsidiaire ontslaggrond gehandhaafd. In de bezwaarprocedure heeft appellant het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam van 25 april 2014 overgelegd, bij welk vonnis hij vanwege opzettelijke mishandeling van zijn levensgezel is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, met bevel, voor het geval dat de taakstraf niet naar behoren is verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van

40 dagen, waarvan 20 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. Het bestuur heeft aannemelijk kunnen achten dat appellant was veroordeeld voor een strafbaar feit, gelet op de uitlatingen die zijn gedaan door de opsporingsambtenaren en de verklaring van appellant dat hij op 1 november 2013 was aangehouden in verband met een ernstige verdenking. Het bestuur heeft het in privétijd gepleegde feit ten grondslag mogen leggen aan het ontslag. Voor de vraag of sprake is van gewichtige redenen is niet maatgevend dat de opgelegde straf een taakstraf is. Appellant had gezien de gesprekken en de brieven van het bestuur moeten weten dat het van groot belang was om het bestuur actief te informeren over de procedure. De rechtspositionele gevolgen bij een veroordeling vanwege een geweldsdelict waren voldoende kenbaar gemaakt. De veroordeling van appellant voor mishandeling van zijn levensgezel verhoudt zich niet tot de werkzaamheden van appellant voor een primaire onderwijsinstelling. Appellant heeft een voorbeeldfunctie als [naam functie] en werkt in de directe omgeving van zeer jonge kinderen. Het bestuur heeft terecht gesteld dat er redenen zijn die voornamelijk betrekking hebben op de persoon van appellant en zijn directe werksituatie, die tot gevolg hebben dat appellant redelijkerwijs niet kan worden gehandhaafd in zijn aanstelling als [naam functie] .

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat het bestuur niet uitsluitend op grond van de opmerkingen van de opsporingsambtenaren aannemelijk kon achten dat appellant van zijn vrijheid zou worden beroofd. In ieder geval kon uit die opmerkingen niet worden opgemaakt dat appellant was veroordeeld voor een strafbaar feit. Niet is gebleken dat een verband bestaat tussen de opmerkingen en de verklaring van appellant ruim een jaar eerder. Op grond van de feiten en omstandigheden die bij het bestuur bekend waren op 25 februari 2015, was geen sprake van gewichtige redenen voor ontslag. Die feiten en omstandigheden zijn pas nadien bekend geworden. Appellant heeft verder gesteld dat de veroordeling en het niet actief verstrekken van informatie geen redenen van gewichtige aard zijn: die redenen zien niet op de werksituatie maar op de privésituatie van appellant. Dat appellant een gevaar zou vormen voor minderjarigen is niet onderbouwd. Hij vervulde geen voorbeeldfunctie.

3.2.

Het bestuur heeft in verweer verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De door appellant in hoger beroep aangevoerde standpunten zijn in essentie een herhaling van dat wat hij aan het beroep bij de rechtbank ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank heeft deze gronden afdoende aan de orde gesteld en gemotiveerd verworpen. De Raad volstaat met het volgende.

4.2.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat bij een ontslag als het hier voorliggende, redenen van gewichtige aard in overwegende mate betrekking moeten hebben op de persoon van de betrokkene en zijn directe werksituatie.

4.3.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestuur ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit, gelet op de opmerkingen van de opsporingsambtenaren en de verklaring van appellant op 5 november 2013, ervan uit mocht gaan dat appellant was veroordeeld voor een geweldsmisdrijf. Het bestuur heeft de omstandigheden dat appellant heeft nagelaten het bestuur te informeren over de strafrechtelijke procedure, ondanks een uitdrukkelijk verzoek daartoe, en dat appellant is veroordeeld voor mishandeling van zijn vriendin, terecht aangemerkt als redenen van gewichtige aard.

4.4.

De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat de omstandigheid dat de gedraging in privétijd heeft plaatsgevonden niet maakt dat daaraan geen belang kan worden gehecht. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) kan ook handelen buiten werktijd onder omstandigheden strijdig zijn met wat een goed ambtenaar betaamt en daarmee plichtsverzuim opleveren. Dit kan het geval zijn in situaties waarbij het handelen, gelet op de vervulde functie, het aanzien van de openbare dienst heeft geschaad of wanneer de ambtelijke hoedanigheid en de gedragingen in de privésfeer onvoldoende gescheiden of te scheiden zijn. De eerstgenoemde situatie doet zich hier voor. Gelet op het voorgaande was het bestuur bevoegd om appellant ontslag te verlenen wegens redenen van gewichtige aard en heeft het bestuur in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2016.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) C.A.E. Bon

HD