Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:5074

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-12-2016
Datum publicatie
04-01-2017
Zaaknummer
15/2765 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene voldeed na de toekenning van een zelfstandig ouderdomspensioen aan zijn (oudere) echtgenote niet langer aan de voorwaarden voor een aanspraak op kinderbijslag op grond van de overgangsregeling. De Svb heeft daarom terecht vastgesteld dat die aanspraak niet meer bestaat. De Raad komt in deze zaak niet tot een ander doordeel dan in zijn uitspraak van

4 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3193), die bij partijen bekend is en waarnaar voor het overige wordt verwezen. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2017/108
USZ 2017/63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2765 AKW

Datum uitspraak: 30 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
13 april 2015, 14/7483 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

[Betrokkene] te [woonplaats], Marokko (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De Svb heeft hoger beroep ingesteld.

Op 3 juni 2016 is door een enkelvoudige kamer van de Raad onderzoek ter zitting verricht. Daarbij heeft de Svb zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens. Betrokkene is verschenen bij mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat. Tegen het hoger beroep van de Svb heeft mr. De Roy van Zuydewijn op 3 juni 2016 beargumenteerd verweer gevoerd.

Na de zitting van 3 juni 2016 is het onderzoek heropend en is de zaak verwezen naar een meervoudige kamer van de Raad. Hiervan is partijen mededeling gedaan.

Vervolgens is het onderzoek ter zitting op 7 oktober 2016 hervat. De Svb is daar verschenen bij mr. M. Sturmans. Betrokkene is opnieuw verschenen bij mr. De Roy van Zuydewijn.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene heeft in Nederland gewoond en gewerkt. Op enig moment is betrokkene uitgevallen en met behoud van een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering naar Marokko geremigreerd. In Marokko is betrokkene verzekerd gebleven voor de Nederlandse volksverzekeringen, waaronder de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), op grond van de toenmalige Besluiten uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen (laatstelijk KB 746).

1.2.

In 1998 heeft betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en is hem met inachtneming van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en het Algemeen Verdrag inzake Sociale Zekerheid tussen Nederland en Marokko van 14 februari 1972 (NMV) een ‘gehuwdenpensioen’ toegekend voor hemzelf en voor zijn (oudere) echtgenote, die de pensioengerechtigde leeftijd in 1995 heeft bereikt. Het aan betrokkene toegekende ouderdomspensioen is per 1 november 2004 substantieel verlaagd in verband met wijzigingen in het NMV. De echtgenote van betrokkene kreeg een recht op ouderdomspensioen dat niet meer afhankelijk was van het in leven zijn van betrokkene.

1.3.

Bij besluit van 2 juni 2014 heeft de Svb meegedeeld dat de kinderbijslag van betrokkene met ingang van het tweede kwartaal van 2014 wordt beëindigd. Aan dit intrekkingsbesluit heeft de Svb ten grondslag gelegd dat de verplichte verzekering voor de volksverzekeringen van in het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden per 1 januari 2000 door de regelgever is geschrapt en dat betrokkene daarna alleen recht op kinderbijslag in Marokko behield zolang hij voldeed aan de voorwaarden van de overgangsregeling die opgenomen is in de artikelen 26 en 27 van KB 746 en nadien artikel 7c van de AKW. Een van de voorwaarden van deze overgangsregeling is dat het in aanmerking te nemen bruto inkomen van betrokkene ten minste 35% bedraagt van het bruto minimumloon (de inkomenseis). Volgens de Svb voldeed betrokkene tot 1 november 2004 aan de inkomenseis en daarna niet meer, althans niet ononderbroken.

1.4.

Bij beslissing van 3 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 2 juni 2014 gegrond verklaard voor wat betreft het tweede, derde en vierde kwartaal van 2014, en ongegrond voor het overige. Daartoe is overwogen dat betrokkene per 1 januari 2005 niet aan de inkomenseis voldoet. De Svb heeft de toekenning van kinderbijslag niet met terugwerkende kracht ingetrokken, omdat de doorbetaling van kinderbijslag aan betrokkene na 2004 te wijten is aan onjuiste beoordelingen van de Svb. Verder is betrokkene een uitlooptermijn gegund om zich in te stellen op de gewijzigde situatie.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daarbij is gerefereerd aan wat de rechtbank heeft overwogen in zijn uitspraak van 5 augustus 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:4850). De rechtbank heeft overwogen dat de stellingname van de Svb een inbreuk betekende op het uitdrukkelijk beoogde eerbiedigende karakter van het overgangsrecht bij KB 746.

3.1.

De Svb heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de zaak van betrokkene op één lijn is te stellen met de zaken waarin de Raad bij uitspraak van 4 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3193) de uitspraak van de rechtbank van 5 augustus 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:4850) heeft vernietigd. In die zaken heeft de Svb, evenals in de zaak van betrokkene, bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan de inkomenseis, na 1 november 2004, alleen het individuele ouderdomspensioen van de betrokken in Marokko wonende mannen in aanmerking genomen en niet het zelfstandige ouderdomspensioen van hun echtgenotes.

3.2.

Namens betrokkene is in verweer in hoger beroep aangevoerd dat zijn zaak zich wezenlijk onderscheidt van de zaken waarin de Raad op 4 september 2015 uitspraak heeft gedaan. In de eerste plaats omdat in zijn zaak wel in geschil is dat het individuele ouderdomspensioen van betrokkene na 1 november 2004 minder bedraagt dan 35% van het minimumloon, aangezien de Svb volgens betrokkene ten onrechte zijn recht op een Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen (KOB) niet in aanmerking heeft genomen. Verder hebben betrokkene en zijn (oudere) echtgenote de pensioengerechtigde leeftijd vóór 1 november 2004 bereikt en niet daarna, zodat betrokkene zich – in zijn optiek – met succes kan beroepen op de beschermende werking van artikel 39 van het NMV. In het licht van deze bepaling zou de Svb, bij de beantwoording van de vraag of betrokkene voldoet aan de inkomenseis, ook na 1 november 2004 het aan zijn (oudere) echtgenote toegekende ouderdomspensioen op moet tellen bij het aan hemzelf toegekende ouderdomspensioen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Het per 1 januari 2000 vervallen artikel 26, eerste lid, van KB 746 luidt, voor zover in dit geding van belang:

´1. Verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de persoon, die buiten Nederland is gaan wonen en op de dag van zijn vertrek recht had op:

a. een uitkering op grond van de WAO;

b. (…);

c. (…);

d. een uitkering op grond van de AOW;

e. (…);

f. (…);

g. (…); of

h. (…), mits die uitkering, dat pensioen of die toelage ten minste gelijk is aan 35% van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag.’

4.2.

Het per 1 januari 2006 vervallen artikel 27 van KB 746 luidt:

´1. Op de persoon die tot 1 januari 2000 verzekerd was op grond van de volksverzekeringen op grond van artikel 26 en die, uitsluitend door het vervallen van dit artikel, vanaf die dag geen recht meer heeft op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet, blijft eerderbedoeld artikel 26, voor het bepalen van de verzekeringspositie op grond van uitsluitend de Algemene Kinderbijslagwet, ook vanaf die dag van toepassing zolang het jongste kind voor wie de verzekerde voor die dag recht had op kinderbijslag de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.

2. Indien de persoon, bedoeld in het eerste lid, op enig tijdstip niet langer voldoet aan een van de voorwaarden van artikel 26, zoals dit artikel luidde op 31 december 1999, op grond waarvan hij, indien dat artikel niet zou zijn vervallen, niet langer verplicht verzekerd zou zijn, eindigt het recht op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet. Het recht op kinderbijslag herleeft niet indien de belanghebbende op een daarna gelegen tijdstip weer aan de verzekeringsvoorwaarden op grond van eerderbedoeld artikel 26 zou voldoen.´

Per 1 januari 2006 is de tot dat moment in artikel 27 van KB 746 opgenomen overgangsregeling vervangen door de overgangsregeling in artikel 7c van de AKW. In het tweede lid van dat artikel is onder a uitdrukkelijk bevestigd dat het recht op kinderbijslag op grond van de overgangsregeling eindigt indien betrokkene niet langer een uitkering, pensioen of toelage ontvangt als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van KB 746.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat het aan betrokkene toegekende individuele bruto AOW-ouderdomspensioen per 1 januari 2005, de eerste peildatum na de inwerkingtreding van het gewijzigde NMV, minder bedraagt dan 35% van het bruto minimumloon. De Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen heeft gegolden van
1 juni 2011 tot 1 februari 2015 en gold niet op de peildatum 1 januari 2005. Nu het betrokken recht op kinderbijslag ingevolge artikel 27, tweede lid, van KB 746 en artikel 7c, tweede lid, van de AKW niet kan herleven, kan de stelling van betrokkene dat de Svb ten onrechte zijn recht op een KOB niet in aanmerking heeft genomen betrokkene dus niet baten.

4.4.1.

Wat betreft het beroep dat betrokkene heeft gedaan op de beschermende werking van artikel 39 van het NMV, wordt het volgende overwogen.

4.4.2.

Artikel 39 NMV (oud) luidt:

’1. Bij opzegging van dit Verdrag wordt elk recht dat met toepassing van dit Verdrag is verkregen, gehandhaafd.

2. Aanspraken op grond van tijdvakken, vervuld vóór de datum, waarop de opzegging van kracht is geworden, worden niet door de opzegging teniet gedaan; (…).’

4.4.3.

Naar het oordeel van de Raad valt deze zaak niet onder het bereik van de beschermende werking van artikel 39 NMV (oud). De Raad neemt in dit verband in aanmerking dat er geen sprake is van aanspraken op grond van tijdvakken als bedoeld in artikel 39, lid 2, van het NMV (oud) en dat er geen grond is om artikel 39, lid 1, van het NMV (oud) zo ruim uit te leggen als betrokkene wil, aangezien hij het bij het bestreden besluit beëindigde recht op kinderbijslag primair heeft verkregen door toepassing van een Nederlandse overgangsregeling, die naar zijn aard een tijdelijk karakter heeft, en niet, althans niet direct, met toepassing van het NMV. De Svb heeft terecht de aanspraak van betrokkene op kinderbijslag beoordeeld op grond van het individuele AOW-pensioen van betrokkene zonder rekening te houden met het vanaf 1 november 2004 aan zijn echtgenote toegekende AOW-pensioen. Gelet op het overwogen onder 4.3 betekent dit dat betrokkene na de toekenning van een zelfstandig ouderdomspensioen aan zijn (oudere) echtgenote niet langer voldeed aan de voorwaarden voor een aanspraak op kinderbijslag op grond van de overgangsregeling. De Svb heeft daarom terecht vastgesteld dat die aanspraak niet meer bestaat.

4.5.

De Raad komt in deze zaak niet tot een ander doordeel dan in zijn uitspraak van

4 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3193), die bij partijen bekend is en waarnaar voor het overige wordt verwezen.

4.6.

Uit wat hiervoor onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep van de Svb slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak vernietigd dient te worden en dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en H.J. Simon en
M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2016.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) R.I. Troelstra

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

RB