Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:5073

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-12-2016
Datum publicatie
04-01-2017
Zaaknummer
145/6408 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling mate arbeidsongeschiktheid. Appellante heeft haar standpunt, dat onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen, onvoldoende onderbouwd. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling van het Uwv. Het Uwv heeft de geschiktheid voor de geselecteerde functies toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6408 WIA

Datum uitspraak: 30 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
8 oktober 2014, 14/1318 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.R. Beukema hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door Beukema. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, voorheen werkzaam geweest als wetenschappelijk onderzoeker/assistent in opleiding, heeft zich met ingang van 7 oktober 2004 ziek gemeld met whiplashklachten na een auto-ongeluk. Het Uwv heeft appellante met ingang van 5 oktober 2006 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 57,14%. Na een herbeoordeling is appellante bij besluit van 13 november 2007 met ingang van 22 oktober 2007 voor minder dan 35% arbeidsongeschikt bevonden. Met ingang van
5 april 2008 is de WGA-uitkering beëindigd.

1.2.

Wegens een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid is aan appellante bij besluit van 12 augustus 2011 met ingang van 8 februari 2010 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%.

1.3.

Bij besluit van 15 augustus 2011 is appellante met ingang van 23 juni 2011 een loonaanvullingsuitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 35,79%. In het daaraan ten grondslag liggende rapport van de arbeidsdeskundige van
23 juni 2011 is het maatmaninkomen gecorrigeerd. Bij besluit van 5 maart 2012 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 62,48% en het bezwaar ongegrond verklaard. Nadat de rechtbank het beroep tegen het besluit ongegrond heeft verklaard is de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het besluit van 5 maart 2012 vernietigd. De Raad heeft vastgesteld dat het bezwaar wegens een wijziging van de resterende verdiencapaciteit gegrond is en heeft bepaald dat de uitspraak voor het vernietigde besluit in de plaats treedt.

1.4.

Na afloop van de maximale uitkeringsduur van de WGA-loonaanvullingsuitkering is appellante bij besluit van 30 mei 2013 met ingang van 16 augustus 2013 in aanmerking gebracht voor een WGA-vervolguitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 55 tot 65%.

1.5.

In bezwaar heeft appellante kort gezegd aangevoerd volledig arbeidsongeschikt te zijn als gevolg van pijn-, vermoeidheids- en cognitieve klachten. Een urenbeperking zou aan de orde zijn. Voorts is de juistheid van het maatmanloon en het dagloon bestreden. Vervolgens heeft het Uwv een medisch en arbeidskundig onderzoek uitgevoerd, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 58,65%.

1.6.

Bij besluit van 31 januari 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan lagen rapporten ten grondslag van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

2. In beroep heeft appellante ter onderbouwing van haar standpunt dat de medische beperkingen zijn onderschat te kennen gegeven dat zij doende is een expertise in geding te brengen. Een urenbeperking zou aanwezig zijn. Tevens is namens appellante verwezen naar het protocol whiplash. Verder is de juistheid van het maandloon en het maatmanloon bestreden. Er is volgens appellante sprake van een maatmanwisseling qua omvang en hoogte van het salaris. Het Uwv heeft erop gewezen dat vanwege het ontbreken van een actueel oordeel, alsnog een medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Verder heeft het Uwv een toelichting gegeven op de arbeidskundige beoordeling.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellante haar standpunt, dat onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen, onvoldoende heeft onderbouwd. Appellante heeft het bij brief van 23 juni 2014 in het vooruitzicht gestelde nadere expertiserapport van NEBC niet in geding gebracht, ondanks een door de rechtbank verleend uitstel van een zitting om bedoeld rapport te kunnen inbrengen. Op basis van de voorhanden zijnde gegevens ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling van het Uwv. Wat betreft de maandloonvaststelling en het gehanteerde maatmanloon heeft appellante verwezen naar het standpunt in de gerelateerde hoger beroepszaak. De rechtbank heeft verder overwogen dat het Uwv de geschiktheid voor de geselecteerde functies toereikend heeft gemotiveerd.

4. Appellante heeft in hoger beroep de eerder ingediende gronden van bezwaar en beroep gehandhaafd. Appellante meent volledig arbeidsongeschikt te zijn. Namens appellante is bij brief van 24 oktober 2016 een groot aantal stukken overgelegd. Ter onderbouwing van haar standpunt is namens appellante bij brief van 7 november 2016 een rapport van klinisch neuropsycholoog drs. G. Kraaijenbrink van 16 juni 2015 in geding gebracht, waarin melding is gemaakt van ongewone moeheid.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

De rechtbank heeft met juistheid de medische beoordeling van het Uwv op basis van de voorhanden zijnde gegevens onderschreven. In dit verband wordt overwogen dat de rechtbank appellante desgevraagd in de gelegenheid heeft gesteld een expertiserapport in geding te brengen en het in juni 2014 ingediende verzoek van appellante om uitstel van een geplande zitting op 1 augustus 2014 heeft gehonoreerd. Appellante heeft ondanks de daartoe verleende mogelijkheid geen rapport in geding gebracht. Appellante is voldoende in de gelegenheid gesteld om haar standpunt met medische gegevens te onderbouwen.

5.2.

Het in hoger beroep door appellante ingebrachte rapport van klinisch neuropsycholoog Kraaijenbrink werpt geen nieuw licht op de beoordeling. Overwogen wordt dat Kraaijenbrink appellante heeft onderzocht en tot de conclusie komt dat de door appellante geuite klachten, onder andere van cognitieve aard, in strikte zin niet kunnen worden geobjectiveerd. Vermeld is dat appellante bovengemiddeld intelligent is, haar geheugenfuncties intact zijn en van een globaal vertraagd mentaal tempo geen sprake is. Er zijn geen stoornissen gezien, alleen een iets verhoogde afleidbaarheid en ongewone moeheid. De bevindingen zouden niet verschillen van die van 2010. De bevindingen vanuit het onderzoek van Kraaijenbrink leiden niet tot de conclusie dat het Uwv bij het vaststellen van de belastbaarheid met ingang van
16 augustus 2013 onvoldoende rekening heeft gehouden met de bij appellante bestaande beperkingen.

5.3.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit wordt overwogen dat de Raad bij uitspraak van 20 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:850) onder meer de maatmanomvang en het gehanteerde maatmaninkomen betreffende de datum
23 juni 2011 heeft bevestigd. Het door appellante in beroep ingenomen standpunt dat sprake zou zijn van een maatmanwissel wat betreft arbeidsomvang en salaris wordt – met verwijzing naar de uitspraak van 20 maart 2015 – niet gevolgd. In hoger beroep heeft gemachtigde van appellante aangevoerd dat het maatmanloon met ingang van 1 mei 2009 vastgesteld dient te worden op basis van verdiensten uit het zelfstandig ondernemerschap, zoals zij dat van 2009 tot 2010 zou hebben uitgeoefend. Dit aspect is echter eveneens in de procedure waarin de Raad op 20 maart 2015 uitspraak heeft gedaan naar voren gebracht. Verwezen wordt naar het in die procedure ingebrachte hoger beroepschrift van 5 januari 2015. De Raad heeft het standpunt van appellante ter zake in zijn uitspraak van 20 maart 2015 niet gevolgd en ziet ook in deze procedure daartoe geen aanleiding.

5.4.

De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de aanvallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2016.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) M.S.E.S. Umans

SS