Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:5072

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-12-2016
Datum publicatie
04-01-2017
Zaaknummer
14/4074 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering kinderbijslag te verstrekken over het derde kwartaal van 2012 en het eerste kwartaal van 2013. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij aan de voor hem geldende onderhoudsbijdrage heeft voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4074 AKW

Datum uitspraak: 30 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

7 juli 2014, 14/145 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2016. Namens appellant is verschenen mr. Küçükünal. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Sturmans.

Het onderzoek ter zitting is geschorst om appellant in de gelegenheid te stellen een nader stuk in te brengen. Appellant heeft te kennen gegeven daaraan niet te kunnen voldoen.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontving kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet voor onder meer zijn dochter [naam dochter], geboren [in 1] 2004 en zijn zoon [naam zoon], geboren [in 2] 2006. Vanaf 15 juli 2012 wonen deze kinderen in Turkije bij hun oma, [naam oma], en volgen aldaar onderwijs.

1.2.

Bij besluiten van 27 mei 2013 heeft de Svb geweigerd over het derde kwartaal van 2012 en het eerste kwartaal van 2013 aan appellant kinderbijslag te verstrekken ten behoeve van [naam dochter] en [naam zoon], aangezien appellant niet heeft kunnen aantonen dat hij deze kinderen in belangrijke mate heeft onderhouden.

1.3.

Bij besluit op bezwaar van 26 november 2013 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen de besluiten van 27 mei 2013 ongegrond verklaard, omdat appellant het gestelde onderhoud van zijn kinderen niet met betaalbewijzen heeft aangetoond.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten. Het bestreden besluit is vernietigd wegens schending van de hoorplicht. De rechtsgevolgen zijn in stand gelaten, omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan de voor hem geldende onderhoudsbijdrage heeft voldaan. Volgens de rechtbank heeft de Svb bij het bestreden besluit genoegzaam gemotiveerd waarom de betaling aan [naam], het gestelde verblijf in Turkije in het derde kwartaal van 2012 en de betaling aan Fadim Sevimli in het eerste kwartaal van 2013 niet (kunnen) meetellen als bijdrage in het onderhoud van de kinderen in de thans ter discussie staande kwartalen. Ook op andere wijze heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij – op voor de Svb eenvoudig te controleren wijze – in het derde kwartaal van 2012 en het eerste kwartaal van 2013 heeft voldaan aan de voor hem geldende onderhoudsbijdrage. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat met de afgegeven verklaring over de betaling aan [naam] niet vast is komen te staan op welke datum, door wie en waarvoor is betaald. Voor het gestelde verblijf van appellant bij zijn kinderen in Turkije in het derde kwartaal van 2012 is geen enkele aanwijzing. Van Fadim Sevimli is niet bekend wie dit is, waar hij woont en of en hoe de betaling ten goede zou zijn gekomen aan de kinderen.

3. In hoger beroep heeft appellant de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden in essentie herhaald. Hij blijft van mening dat hij voldoende bewijs heeft geleverd dat hij daadwerkelijk voor het onderhoud van zijn kinderen heeft betaald. Dat de wijze waarop is aangetoond dat aan de onderhoudseis is voldaan, wellicht niet voldoet aan het door de Svb gehanteerde criterium, dat betalingen eenvoudig controleerbaar dienen te zijn, doet daar niet aan af. Met een beroep op het zogenaamde Huizense veearts-arrest van 20 februari 1933 (NJ 1933,918) meent appellant dat hij in lijn van de geest van de wet heeft voldaan aan de onderhoudseis.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

In dit geding zijn aan de orde de aanspraken van appellant op kinderbijslag over het derde kwartaal van 2012 en het eerste kwartaal van 2013.

4.3.

Nu de kinderen in de in geding zijnde kwartalen niet tot het huishouden van appellant behoorden, kan appellant slechts aanspraak op kinderbijslag maken indien hij aannemelijk kan maken de kinderen in belangrijke mate te hebben onderhouden. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient een verzekerde op een voor het uitvoeringsorgaan eenvoudig te controleren wijze, met name door middel van bankoverschrijvingen ten name van de persoon die de kinderen verzorgt dan wel ten name van de kinderen zelf, aan te tonen dan wel aannemelijk te maken dat hij heeft voldaan aan de voor hem geldende onderhoudseis.

4.4.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant niet aan deze vereisten heeft voldaan en onderschrijft wat de rechtbank hierover heeft overwogen. Appellant heeft geen bewijzen van stortingen in de hier in geding zijnde kwartalen overgelegd. De door appellant verrichte betalingen voldoen niet aan de hiervoor geformuleerde eis van eenvoudige controleerbaarheid. Verder is appellant in hoger beroep in de gelegenheid gesteld om ter onderbouwing van het gestelde verblijf in Turkije in het derde kwartaal van 2012 een leesbaar afschrift van de relevante pagina uit zijn paspoort in te brengen, maar daar is geen gebruik van gemaakt. Het beroep op het Huizense veearts-arrest kan aan het vorenstaande niet afdoen, omdat dat arrest handelt over een geheel andere situatie als hier aan de orde.

4.5.

De overwegingen onder 4.2 tot en met 4.4 leiden tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door P. Vrolijk, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2016.

(getekend) P. Vrolijk

(getekend) A.M.C. de Vries

JL