Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:5071

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2016
Datum publicatie
03-01-2017
Zaaknummer
12/4934 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oordeel rechtbank AU 1 onderschreven dat beoordeling op een voldoende feitelijk grondslag berust. Herhaling beroepsgronden. Oordeel rechtbank AU 2 onderschreven en maakt overwegingen tot de zijne. Procesbelang bestreden besluit 3. Deugdelijk gemotiveerd. Oordeel rechtbank AU 4 onderschreven. Geen grond ander oordeel dan rechtbank in AU 5.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2017/14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4934 AW, 12/4935 AW, 13/5623 AW, 13/6422 AW, 13/6423 AW

Datum uitspraak: 22 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

23 juli 2012, 11/5104 (aangevallen uitspraak 1), 25 juli 2012, 12/1619 (aangevallen

uitspraak 2), 10 september 2013, 12/4205 (aangevallen uitspraak 3), 18 oktober 2013, 13/3474 (aangevallen uitspraak 4) en 18 oktober 2013, 13/2337 (aangevallen uitspraak 5)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van Delfland (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken 1 tot en met 5.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door W. van Ommeren. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P.W. Steuten, advocaat, mr. M.B. Pieters en

ing. J.D. de Korte.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een meer uitgebreide weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. De Raad volstaat met het volgende.

1.2.

Appellant was vanaf 2007 werkzaam bij het Hoogheemraadschap Delfland in de functie van Beleidsadviseur.

1.3.

Op 19 november 2009 heeft de leidinggevende [naam R] (R) een beoordeling van het functioneren van appellant opgemaakt in de periode april 2009 tot november 2009, met het eindoordeel D “Nog te ontwikkelen ten opzichte van score C (Goed)”. Die beoordeling is vastgesteld op 30 september 2010 en na bezwaar, in navolging van het advies van de bezwaarschriftencommissie, gehandhaafd bij besluit van 11 mei 2011 (bestreden besluit 1).

1.4.

Over het functioneren van appellant in de periode van 21 juni 2010 tot en met

21 december 2010 heeft [naam K], leidinggevende van appellant vanaf 1 mei 2010, een beoordeling opgemaakt met als eindoordeel E “onvoldoende”. Die beoordeling is vastgesteld bij besluit van 7 april 2011 en na bezwaar, in navolging van het advies van de bezwaarschriftencommissie, gehandhaafd bij besluit van 12 januari 2012 (bestreden

besluit 2).

1.5.

Op 22 september 2011 heeft appellant zich ziek gemeld.

1.6.

Bij besluit van 23 november 2011 is aan appellant onder meer meegedeeld dat hij op grond van artikel 5.1.5 van de Sectorale arbeidsvoorwaardenregelingen waterschapspersoneel (SAW) wordt opgeroepen voor een medisch onderzoek. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat appellant heeft aangegeven in het verleden hersenletsel te hebben opgelopen, maar dat hij het college niet in de gelegenheid stelt om eventueel daaruit voortvloeiende beperkingen in zijn functioneren te laten onderzoeken. Nu de bedrijfsarts en het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen spreken van medische beperkingen tolereert het college niet langer dat op dat vlak onduidelijkheid blijft bestaan.

1.7.

Appellant heeft bij brief van 2 januari 2012 aan het college te kennen gegeven dat hij zich niet kan verenigen met een aantal beslissingen uit de brief van 23 november 2011 en dat hij een pro-forma bezwaarschrift indient. Bij brief van 12 januari 2012 heeft appellant aangegeven dat hij een bezwaarschrift indient tegen de beoordeling en de verplichting tot het ondergaan van een neuro-psychologische test als vermeld in de brief van 23 november 2011. Bij brief van 31 januari 2012 heeft appellant zijn definitieve versies van de beroepschriften, (lees: bezwaarschriften) gedateerd 30 december 2011 en 8 januari 2012, aan het college toegestuurd. Appellant heeft het college bij brief van 4 april 2012 herinnerd aan zijn bij brief van 30 december 2011 definitief gemaakte bezwaar tegen het besluit van 23 november 2011 en hij heeft daarbij verwezen naar artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij brief van 23 mei 2012 heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen door het college op zijn bezwaar tegen het besluit van 23 november 2011. Bij besluit van 10 juli 2012 (bestreden besluit 3) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 november 2011 ongegrond verklaard.

1.8.

In de zomer van 2012 heeft appellant een specialistisch onderzoek ondergaan bij Psyon in verband met het hiervoor genoemde hersenletsel. Aan appellant is bij besluit van 11 oktober 2012 een bezoldigingsmaatregel opgelegd op grond van artikel 5.2.4, tweede lid, aanhef en onder b, van de SAW, omdat hij weigerde de rapportage van het specialistisch onderzoek door Psyon te laten gebruiken door de bedrijfsarts voor nadere advisering. Op 12 november 2012 heeft appellant de bedrijfsarts toestemming gegeven de rapportage van Psyon te gebruiken voor zijn advisering. Bij besluit van 5 december 2012, gehandhaafd bij besluit van 18 maart 2013 (bestreden besluit 4), heeft het college de bezoldigingsmaatregel met terugwerkende kracht tot 12 november 2012 beëindigd.

1.9.

Appellant heeft bij brief van 21 december 2012 om ontslag verzocht en te kennen gegeven dat de opzegging berust op een medische grondslag die door zijn huisarts wordt onderschreven. Bij besluit van 23 januari 2013 heeft het college dat verzoek afgewezen. Het college heeft aan die afwijzing ten grondslag gelegd dat het verzoek van appellant is opgevat als een verzoek om toepassing van artikel 8.1.5 van de SAW, dat bepaalt dat ontslag kan worden verleend aan de ambtenaar op grond van arbeidsongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte. Appellant voldoet niet aan de voorwaarde van een wachttijd van twee jaar zoals bepaald in artikel 8.1.5 van de SAW.

1.10.

Bij beslissing op bezwaar van 7 februari 2013 (bestreden besluit 5) heeft het college het besluit van 23 januari 2013 herroepen en aan appellant met ingang van 11 februari 2013 eervol ontslag verleend op grond van artikel 8.1.2 van de SAW.

2. De rechtbank heeft:

- bij aangevallen uitspraak 1 het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard;

- bij aangevallen uitspraak 2 het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard wat

betreft de juridische grondslag van dat besluit, dat besluit in zoverre vernietigd, bepaald dat

de rechtsgevolgen van het deels vernietigde besluit in stand blijven en het beroep voor het

overige ongegrond verklaard;

- bij aangevallen uitspraak 3 het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift

van 2 januari 2012 en het beroep tegen bestreden besluit 3 niet-ontvankelijk verklaard;

- bij aangevallen uitspraak 4 het beroep tegen bestreden besluit 4 ongegrond verklaard, en

- bij aangevallen uitspraak 5 het beroep tegen bestreden besluit 5 ongegrond verklaard voor

zover dat was gericht tegen de ontslagdatum, het verzoek om schadevergoeding afgewezen

en het beroep voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1

5.1.

Appellant heeft betoogd dat R geen beoordeling kon opmaken van zijn werkzaamheden als programmamanager van Optimalisatiestudie Afvalwater Systeem de Groote Lucht,

omdat hij zijn werkzaamheden onafhankelijk en onder de voorzitter van de stuurgroep verrichtte en R daar niet als leidinggevende zeggenschap over had. Voorts is volgens appellant in de beoordeling over 2009 ten onrechte niet opgenomen dat aan hem de extra opdracht was gegeven tot het vervaardigen van een capaciteitsberekening.

5.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 1 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3259) is de toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of die beoordeling op voldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het bestuursorgaan dit met concrete feiten onderbouwen. Niet doorslaggevend is of elk feit juist is vastgesteld of geduid, het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing kan doorstaan.

5.3.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de beoordeling op een voldoende feitelijk grondslag berust. Hij maakt de aan dit oordeel van de rechtbank ten grondslag gelegde overwegingen tot de zijne. Volstaan wordt hier met te verwijzen naar die overwegingen. Daaraan wordt toegevoegd dat de werkzaamheden die appellant heeft verricht als programmamanager onderdeel uitmaken van het functioneren van appellant als beleidsadviseur. Dat betekent dat zijn rechtspositioneel leidinggevende R het functioneren van appellant als programmamanager in de beoordeling mocht betrekken. Dat in de beoordeling niet alle werkzaamheden zijn opgenomen, zoals de door appellant genoemde capaciteitsberekening, neemt niet weg dat de in de beoordeling benoemde tekortkomingen in het functioneren van appellant op voldoende gronden berusten en de terughoudende toetsing kunnen doorstaan.

5.4.

Uit 5.1 tot en met 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat aangevallen uitspraak 1 voor bevestiging in aanmerking komt.

Aangevallen uitspraak 2

6.1.

Appellant heeft gesteld dat de periode waarover hij is beoordeeld volgens de SAW te kort is om tot een beoordeling te komen, nu hij in het beoordelingstijdvak gedurende zeven weken wegens ziekte niet heeft gewerkt en vier weken vakantieverlof had. De beoordelingstermijn bedroeg dus drie en een halve maand, terwijl de SAW zes maanden voorschrijft. De rechtbank heeft volgens appellant onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat de termijn voor de opdrachten die hij moest uitvoeren ook zes maanden bedroeg en hij in die periode nog extra opdrachten heeft gekregen.

6.2.

De gronden van appellant zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft betoogd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en maakt de aan die uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen tot de zijne. Volstaan wordt dan ook met te verwijzen naar die overwegingen, waarin ook de afwezigheid van appellant wegens ziekte en vakantie is betrokken in relatie tot het beoordelingstijdvak van zes maanden. De rechtbank heeft voldoende grondslag aangetroffen voor de conclusie dat appellant tekort is geschoten in de competenties communicatieve vaardigheden en resultaatgerichtheid. Door onvoldoende planmatig handelen en onvoldoende overleg zijn de beoogde resultaten niet behaald. Daarnaast ontbrak het appellant aan een positieve ontwikkeling in deze centraal gestelde vaardigheden, heeft appellant zijn leidinggevende in onvoldoende mate in bilaterale overleggen geïnformeerd over de voortgang van zijn resultaten en heeft hij over de haalbaarheid daarvan tijdens een voortgangsgesprek in september 2010 een te rooskleurige voorstelling van zaken gegeven. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de beoordeling met een eindoordeel E op een voldoende feitelijke grondslag berust.

6.3.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd leidt de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad voegt daaraan toe dat, anders dan het college heeft betoogd, de rechtbank met juistheid, zoals ook voortvloeit uit de uitspraak van 19 december 2013,

ECLI:NL:CRVB: 2013:2947, op de beoordeling van het functioneren van appellant in 2010 de bepalingen van de SAW van toepassing heeft geacht zoals die ten tijde van de beoordelingsperiode golden.

6.4.

Uit 6.1 tot en met 6.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat aangevallen uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking komt.

Aangevallen uitspraak 3

7.1.1.

De rechtbank heeft overwogen dat appellant, na zijn pro-forma bezwaarschrift, zijn definitieve bezwaargronden heeft ingediend op 31 januari 2012. Twaalf weken later, op

24 april 2012, is de termijn om te beslissen op bezwaar verstreken. Omdat de ingebrekestelling is ontvangen voordat de beslistermijn is verstreken, is de ingebrekestelling prematuur en kan deze niet worden aangemerkt als ingebrekestelling. Omdat er geen geldige ingebrekestelling ligt, heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

7.1.2.

Appellant stelt zich op het standpunt dat hij na zijn pro-forma bezwaarschrift van

2 januari 2012, de gronden heeft aangevuld bij brief van 12 januari 2012. De termijn om te beslissen op het bezwaar is volgens appellant twaalf weken later, op 4 april 2012, verstreken en dat betekent volgens appellant dat zijn ingebrekestelling bij brief van 4 april 2012 niet prematuur is.

7.1.3.

De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat de bezwaartermijn op 31 januari 2012 is aangevangen en appellant het college in de brief van 4 april 2012 in gebreke heeft gesteld. In de brief van 4 april 2012 heeft appellant verwezen naar de brief van het college van 23 november 2011 waartegen door hem “op 30-12-2011 definitief bezwaar is ingesteld”. Het bezwaarschrift met de datering “30 december 2011” is door appellant ingediend bij de brief van 31 januari 2012. De brief van 12 januari 2012 van appellant bevat geen gronden van bezwaar. Nu appellant het college in de brief van 4 april 2012 alleen heeft verwezen naar zijn op 31 januari 2012 ingediende bezwaarschrift, is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat de beslistermijn is aangevangen op 31 januari 2012. De Raad acht daarbij van belang dat appellant in de brief van 31 januari 2012 ook heeft aangetekend dat hij eerder had verzocht zijn “beroepschriften vast te houden” en niet heeft verwezen naar zijn brief van 12 januari 2012. De ingebrekestelling was daarom prematuur.

7.1.4.

Uit 7.1.1 tot en met 7.1.3 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 3 niet slaagt voor zover het beroep was gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

7.2.1.

In aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank over bestreden besluit 3 overwogen dat appellant geen belang heeft bij een inhoudelijk beoordeling van zijn beroep, nu hij op eigen verzoek is ontslagen en hij niet meer werkzaam is bij de werkgever die hem opriep voor een geneeskundig onderzoek.

7.2.2.

Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de oproep voor het geneeskundig onderzoek naar de gevolgen van hersenletsel onrechtmatig was, omdat uit de reguliere gezondheidszorg voldoende diagnoses bekend waren over zijn gezondheidstoestand. Een onderzoek naar de gevolgen van hersenletsel zou daarin geen verandering kunnen brengen volgens appellant. Het arbeidsconflict dat daarna volgde heeft geleid tot schade die bestaat uit arbeidsongeschiktheid en verlies van verdiencapaciteit.

7.2.3.

Uit de gronden van het hoger beroep volgt dat appellant, anders dan de rechtbank heeft overwogen, een belang heeft bij zijn beroep tegen bestreden besluit 3.

7.2.4.

De Raad heeft geen aanleiding gezien de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank ter behandeling van het beroep tegen bestreden besluit 3. Gelet op artikel 8:116 van de Awb zal de Raad, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen dat besluit beoordelen.

7.2.5.

In artikel 5.1.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de SAW is bepaald dat het dagelijks bestuur bevoegd is een deskundige opdracht te geven de ambtenaar aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt is gebleken voor het naar behoren vervullen van zijn functie, zulks ten einde na te gaan of hiervoor medische oorzaken zijn aan te wijzen.

7.2.6.

Niet weersproken is dat appellant zelf bij meerdere gelegenheden in 2011 in verband met zijn functioneren melding heeft gemaakt van hersenletsel dat hij meer dan 30 jaar geleden zegt te hebben opgelopen als gevolg van twee zware auto-ongevallen. Appellant was arbeidsongeschikt op het moment van de opdracht om zich te laten onderzoeken in verband met een mogelijke invloed die het door hem gemelde hersenletsel heeft op zijn functioneren. In dat licht bezien heeft het college in redelijkheid opdracht gegeven aan appellant om mee te werken aan een geneeskundig onderzoek op grond van artikel 5.1.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de SAW. Dat de bedrijfsarts de beschikking had over recente diagnoses uit het reguliere medische circuit, maakt dat niet anders.

7.2.7.

Bestreden besluit 3 berust op een deugdelijke motivering en het beroep tegen dit besluit van 10 juli 2012 moet daarom ongegrond worden verklaard.

7.2.8.

Uit 7.2.1 tot en met 7.2.7 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 3 slaagt, voor zover de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 3

niet-ontvankelijk heeft verklaard.

7.3.

De aangevallen uitspraak 3 moet worden vernietigd en de Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaren.

Aangevallen uitspraak 4

8.1.

Appellant heeft betoogd dat de opgelegde kortingsmaatregel bij besluit van 11 oktober 2012 onrechtmatig was en dat daarmee ook de slechts gedeeltelijke intrekking van die maatregel met terugwerkende kracht bij besluit van 5 december 2012, bevestigd bij bestreden besluit 4, onrechtmatig was.

8.2.

De gronden van appellant zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft betoogd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant eerst op

12 november 2012 zijn toestemming heeft verleend voor volledige inzage en gebruikmaking van de onderzoeksresultaten voor de advisering door de bedrijfsarts en dat het college de maatregel op goede gronden met terugwerkende kracht tot 12 november 2012 heeft ingetrokken. Hij maakt de aan dit oordeel van de rechtbank ten grondslag gelegde overwegingen tot de zijne en volstaat hier met te verwijzen naar die overwegingen.

8.3.

Uit 8.1 en 8.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat aangevallen uitspraak 4 voor bevestiging in aanmerking komt.

Aangevallen uitspraak 5

9.1.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het college een ontslagbesluit op verzoek had moeten geven, zonder de in het besluit van 7 februari 2013 gegeven nadere toelichting, waarin onder meer is vermeld dat het college aan appellant een voornemen kenbaar heeft gemaakt tot ontslag wegens ongeschiktheid en of onbekwaamheid voor de eigen betrekking respectievelijk wegens verstoorde verhoudingen. Een dergelijke toevoeging is nadelig bij bijvoorbeeld sollicitaties en appellant beoogt met deze procedure te bereiken dat de nadere toelichting uit het ontslagbesluit verdwijnt en hij een ontslagbesluit ontvangt waarin alleen is vermeld dat aan hem eervol ontslag is verleend op grond van artikel 8.1.2 van de SAW. Appellant heeft verzocht om een schadevergoeding omdat hij last heeft ondervonden van het feit dat hem niet direct na zijn verzoek van 21 december 2012 ontslag is verleend. Hij heeft daardoor een bijholteontsteking opgelopen en er is sprake van verlies aan verdiencapaciteit.

9.2.

De Raad ziet in wat appellant heeft aangevoerd geen grond anders te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak. Uit de motivering van bestreden besluit 5 volgt dat de heroverweging van het besluit van 23 januari 2013 heeft plaatsgevonden op grond van het bezwaar van appellant en appellant heeft in hoger beroep niet gesteld, noch anderszins

aannemelijk gemaakt, dat die motivering niet deugdelijk is. Voor zover appellant heeft betoogd dat hij schade heeft geleden, heeft hij ook in hoger beroep die schade niet gespecificeerd of onderbouwd.

9.3.

Uit 9.1 en 9.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat aangevallen uitspraak 5 voor bevestiging in aanmerking komt.

10. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

11. Gelet op het overwogene in 7.2.8 bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:114, tweede lid, van de Awb te bepalen dat de griffier het griffierecht in het hoger beroep in de

zaak 13/5623 AW aan appellant vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken 1, 2, 4 en 5;

- vernietigt aangevallen uitspraak 3 voor zover daarbij is beslist over het beroep van appellant

tegen het besluit van 10 juli 2012;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 10 juli 2012 ongegrond;

- bevestigt aangevallen uitspraak 3 voor het overige;

- bepaalt dat de griffier aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 118,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en M.T. Boerlage en H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2016.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) M.S. Spek

HD