Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:5057

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-12-2016
Datum publicatie
03-01-2017
Zaaknummer
15/4231 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenen van woonkostentoeslag in vorm van een lening. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan in verband met te snelle intering. Het college heeft terecht de draagkracht van appellante in mindering gebracht op de woonkostentoeslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4231 WWB, 15/4232 WWB, 16/4658 WWB

Datum uitspraak: 27 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van

27 mei 2015, 13/2962 (aangevallen uitspraak 1) en 14/3877 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H.G. in de Braekt hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2016. Namens appellante is verschenen mr. In de Braekt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.M. Benning-Hellenbrand.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante woont in een huurwoning. De huurprijs van deze woning is in de loop der jaren gestegen tot boven de maximale huurgrens voor de huurtoeslag. In 2006 heeft zij een erfenis ontvangen van € 108.000,-. Op 24 juli 2012 heeft appellante bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd in de vorm van een woonkostentoeslag.

1.2.

Bij besluit van 3 september 2012 (besluit 1), verzonden op 28 januari 2013, heeft het college aan appellante woonkostentoeslag toegekend voor de periode van 1 juli 2012 tot 1 juli 2013 (periode 1) in de vorm van een geldlening. Daarbij is aan appellante een verhuisverplichting opgelegd om binnen 12 maanden te verhuizen naar een goedkopere, wel subsidiabele woning. Na bezwaar is besluit 1 gehandhaafd bij besluit van 3 september 2013 (bestreden besluit 1). Aan dit besluit heeft het college onder meer ten grondslag gelegd dat appellante door te snel in te teren op haar vermogen tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond.

1.3.

Appellante heeft op 1 juli 2013 verlenging van de woonkostentoeslag aangevraagd. Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college de GGD Zuid-Limburg om medisch advies gevraagd. De GGD-arts is blijkens het rapport van 8 oktober 2013, na het spreekuuronderzoek, intercollegiaal overleg en na informatie te hebben ontvangen van de behandelende sector, tot de conclusie gekomen dat appellante in staat kan worden geacht zelfstandig zorg te kunnen dragen voor een verhuizing. Bij besluit van 4 november 2013 heeft het college vervolgens de aanvraag afgewezen. Bij besluit van 14 mei 2014 (besluit 2) heeft het college het besluit van 4 november 2013 herzien en woonkostentoeslag in de vorm van een geldlening toegekend over de periode van 1 juli 2013 tot 1 januari 2015 (periode 2). Daarbij heeft het college wederom de verhuisverplichting aan appellante opgelegd om binnen 12 maanden te verhuizen naar een goedkopere woning. Uitbetaling van de woonkostentoeslag vindt plaats onder aftrek van de door het college vastgestelde draagkracht van € 179,42 per maand.

1.4.

Bij besluit van 18 november 2014 (bestreden besluit 2) heeft het college een nieuwe draagkrachtberekening gemaakt en het bezwaar tegen besluit 2 deels gegrond verklaard omdat met besluit 2 is erkend dat de woonkostentoeslag bij besluit van 4 november 2013 ten onrechte was afgewezen. Ten aanzien van de grondslag voor de gekozen vorm van de bijstand is verwezen naar bestreden besluit 1.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellante ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

3.2.

Bij besluit van 13 oktober 2015 (nader besluit) heeft het college bestreden besluit 1 herzien en de hoogte van de woonkostentoeslag verhoogd in verband met de van toepassing zijnde wijzigingen in de huurprijs en de maximale huurgrens en de vorm van de bijstand, namelijk in de vorm van een geldlening, gehandhaafd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met het nader besluit is het college niet geheel tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellante. Het nader besluit wordt daarom, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.

De geldlening

4.2.1.

Volgens artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB kan bijstand worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

4.2.2.

In de uitvoeringspraktijk is een interingsnorm ontwikkeld om te beoordelen of iemand voorafgaand aan de aanvraag om bijstand een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond. Deze interingsnorm houdt - kort gezegd – in, dat op het beschikbare vermogen dient te worden ingeteerd met een bedrag per maand dat overeenstemt met anderhalf maal de voor de betrokkene geldende bijstandsnorm. Het college hanteert deze norm.

4.2.3.

Niet in geschil is dat appellante, gemeten naar deze norm, te snel heeft ingeteerd op haar vermogen. Daarom is het college bevoegd de woonkostentoeslag over beide perioden in de vorm van een geldlening te verstrekken.

4.2.4.

Appellante heeft aangevoerd dat het college gelet op de bijzondere omstandigheden waarin zij verkeert geen gebruik had mogen maken van zijn bevoegdheid om de woonkostentoeslag te verstrekken in de vorm van een geldlening. Appellante doelt daarmee op de hoge kosten die zij heeft en heeft gemaakt als gevolg van, met name, haar medische situatie.

4.2.5.

In de door appellante aangevoerde omstandigheden ziet de Raad geen grond om te oordelen dat het college bij afweging van de in aanmerking komende belangen niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de bijstand te verlenen in de vorm van een geldlening. Uit de gedingstukken, waaronder het GGD-rapport van 8 oktober 2013, blijkt weliswaar dat appellante lichamelijke en psychische klachten heeft, maar appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg daarvan genoodzaakt was zodanige kosten te maken dat die tezamen met haar overige bestaanskosten de interingsnorm ver te boven gingen.

4.2.6.

Het college was dan ook op grond van artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB bevoegd om bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening te verlenen. De wijze waarop het college van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt is in overeenstemming met zijn gedragslijn op dat punt.

De draagkracht

4.3.1.

Appellante heeft aangevoerd dat het college ten aanzien van periode 2 ten onrechte haar draagkracht in mindering heeft gebracht op de woonkostentoeslag omdat het college over periode 1 haar draagkracht niet heeft berekend en in mindering heeft gebracht.

4.3.2.

In artikel 35, eerste lid, van de WWB is, voor zover hier van belang, bepaald dat de alleenstaande recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

4.3.3.

Op grond van de hiervoor weergegeven bepaling is het college gehouden de draagkracht van appellante in mindering te brengen op de woonkostentoeslag. Dat het college dit ten aanzien van periode 1 heeft nagelaten, maakt niet dat de draagkracht van appellante over periode 2 niet in acht moet worden genomen.

De verhuisverplichting

4.4.

Omdat in onderhavig geschil twee afgesloten perioden voorliggen en het college geen consequenties heeft verbonden aan de aan appellante bij besluit 1 en 2 opgelegde verhuisverplichting, heeft appellante thans, in onderhavig geschil, geen belang meer bij de beoordeling hiervan.

Slotsom

4.5.

Uit 4.2 en 4.4 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt. Aangevallen uitspraak 1 zal daarom worden bevestigd en het beroep tegen het nader besluit zal daarom ongegrond worden verklaard. Uit 4.2 tot en met en 4.4 volgt dat hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet slaagt. Aangevallen uitspraak 2 zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak 1;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 13 oktober 2015 ongegrond;

- bevestigt de aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en A. Stehouwer en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2016.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD