Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:5051

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-12-2016
Datum publicatie
03-01-2017
Zaaknummer
15-132 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Voldoende medische grondslag. De rechtbank heeft op goede gronden de door haar ingeschakelde deskundige gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/132 ZW

Datum uitspraak: 23 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

1 december 2014 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.M. van Dijk-Opstal hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft een verzekeringsarts tot deskundige benoemd. Door de deskundige,

drs. F.M. Brouwer, is op 23 september 2015 een rapport uitgebracht.

Het Uwv heeft gereageerd op dit rapport en verzocht om een nadere onderbouwing en toelichting op enkele aspecten aan de deskundige te vragen. Overeenkomstig heeft de Raad de deskundige gevraagd te willen reageren.

Bij brief van 3 december 2015 heeft Brouwer gereageerd.

Hierop hebben partijen nadere stukken ingediend.

Andermaal heeft Brouwer op 16 juni 2016 gereageerd op de nadere stukken.

Hierop hebben partijen nadere stukken in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 13/5835 WIA plaatsgehad op

18 november 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.S. Kerkhof-Pöttger. Namens het Uwv is verschenen mr. M.J.F. Bär. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als inpakster voor 24 uur per week. Appellante heeft zich op 3 december 2010 ziek gemeld. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft vastgesteld dat appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 30 november 2012 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat appellante per 30 november 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellante werd met haar beperkingen in staat geacht functies als portier, administratief medewerkster, besteller en samensteller te vervullen. Aansluitend heeft zij weer WW-uitkering ontvangen. Op 25 november 2013 heeft appellante zich wederom ziek gemeld.

1.2.

Op 13 december 2013 heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante, na ontvangst van inlichtingen afkomstig van de behandelend longarts per 21 februari 2014 geschikt geacht voor de functie van administratief medewerkster en dit op 17 februari 2014 telefonisch met appellante besproken. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 21 februari 2014 vastgesteld dat appellante per 21 februari 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 26 juni 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 juni 2014 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante naar voren gebracht dat zij als gevolg van een veelheid aan klachten welke elk afzonderlijk bezien en ook in samenhang bezien er toe leiden dat er geen geschiktheid kan worden aangenomen voor de geselecteerde functies. Niet alleen is er sprake van longklachten en chronische hoestklachten doch ook heeft zij klachten in de heupen. Tevens mag appellante gelet op de door haar gebruikte medicatie geen auto besturen. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

4.2.

Door de deskundige Brouwer, is op 23 september 2015 een rapport uitgebracht. Brouwer heeft geconcludeerd dat er aanleiding is om appellante op 21 februari 2014 verder te beperken op de punten hitte, buigen, lopen, trappenlopen, klimmen, knielen of hurken, staan en geknield of gehurkt actief zijn. Brouwer heeft bij brief van 3 december 2015 een nadere toelichting gegeven. Het door Brouwer gestelde heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding gegeven de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op 17 december 2015 aan te passen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft hieruit geconcludeerd dat de functies administratief medewerker en samensteller onveranderd geschikt zijn voor appellante. Appellante heeft op 18 januari 2016, onder verwijzing naar een rapport van het Rijnlands revalidatie centrum van juli 2015 en een rapport van 7 april 2016 van H.M.Th. Offermans, verzekeringsarts, naar voren gebracht dat haar beperkingen onvoldoende zijn neergelegd in de FML van 17 december 2015. Op 16 juni 2016 heeft Brouwer gereageerd op de nadere stukken en gesteld dat er zijns inziens grond is voor een urenbeperking met twee uur per dag, respectievelijk 10 uur per week. Dit rapport heeft Offermans aanleiding gegeven zijn stelling dat appellante beperkt moet worden tot maximaal 4 uur per werkdag te handhaven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 18 juli 2016 gesteld dat het rapport van Brouwer van 16 juni 2016 geen aanleiding geeft om een urenbeperking toe te kennen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep overweegt hierbij dat Brouwer ogenschijnlijk veel gewicht toekent aan het dagverhaal van appellante.

4.3.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het uitgebrachte rapport van 23 september 2015 en de toelichting daarop in de rapporten van 3 december 2015 en 16 juni 2016 geven blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn inzichtelijk en consistent. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de conclusies van de ingeschakelde deskundige op een voldoende uitgebreid en zorgvuldig onderzoek berusten en overtuigend, aan de hand van een relevant medisch onderzoek en kennisneming van de omtrent appellante beschikbare medische informatie, zijn gemotiveerd. Uit de gegevens van de deskundige blijkt dat de deskundige appellante per de datum hier in geding meer beperkt acht dan door het Uwv is aangenomen. De deskundige heeft geconcludeerd dat voor appellante een duurbeperking dient te worden aangenomen zoals in 4.2 verwoord. Nu de geselecteerde functie administratief medewerker een tweetal functies omvat met een urenomvang van respectievelijk 26.6 en 28.0 uur per week, kan deze geselecteerde functie de hersteldverklaring van appellante per 21 februari 2014 dragen.

4.4.

Uit het hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen, vloeit voort dat het bestreden besluit is gebaseerd op een juiste medische grondslag en dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, zal worden bevestigd.

5. De vordering van appellante om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente wordt afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

23 december 2016.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) A.M.C. de Vries

JL