Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:5045

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-12-2016
Datum publicatie
03-01-2017
Zaaknummer
12-3277 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onafhankelijke door de Raad ingeschakelde deskundige heeft zorgvuldig onderzoek verricht en rapport is inzichtelijk en consistent. Beperkingen appellant, neergelegd in FML van 3 januari 2011, zijn zeker niet onderschat. In hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die aanleiding geven voor twijfel aan standpunt van het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3277 WIA

Datum uitspraak: 23 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 2 mei 2012, 11/5314 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. F. Postma, kantoorgenoot van mr. Jansen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

De door de Raad als deskundige benoemde revalidatiearts W. Hokken heeft op 2 november 2015 rapport uitgebracht. Appellant heeft hierop gereageerd met een rapport van 14 maart 2016 van verzekeringsarts H.J.M. van der Planken. Vervolgens heeft het Uwv een nader rapport van 22 april 2016 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingebracht.

Desgevraagd heeft revalidatiearts Hokken bij brief van 12 augustus 2016 een nadere reactie gegeven.

Vervolgens hebben partijen over en weer gereageerd met door appellant ingebrachte rapporten van verzekeringsarts Van der Planken en door het Uwv overgelegde rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Onderzoek ter zitting heeft andermaal plaatsgevonden op 11 november 2016. Appellant is wederom in persoon verschenen met bijstand van mr. Postma. Het Uwv was vertegenwoordigd door E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 9 juli 2007 voor zijn werkzaamheden als beveiliger uitgevallen met klachten als gevolg van een hem in maart 2007 overkomen auto-ongeval.

1.2.

Bij besluit van 18 februari 2010 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat voor hem met ingang van 8 augustus 2009 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is daarbij vastgesteld op 100%. Deze WGA-uitkering is toegekend tot 8 april 2012.

1.3.

Bij brief van 7 oktober 2010 heeft de werkgever van appellant met, zoals uit de medeondertekening blijkt, akkoordverklaring van appellant, een IVA-uitkering aangevraagd, omdat de klachten en de hieruit voortvloeiende beperkingen sinds toekenning van de

WGA-uitkering ongewijzigd zijn. In een eventuele behandeling van zijn klachten valt noch in het komend jaar nog in de jaren daaropvolgend enige verbetering te verwachten waardoor appellant volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

1.4.

De verzekeringsarts heeft na onderzoek vastgesteld dat bij appellant sprake is van een chronisch pijnsyndroom, waarbij nooit een duidelijke oorzaak is gevonden voor de ernst van de klachtbeleving. Strikt genomen kan appellant derhalve volgens de verzekeringsarts normaal functioneren. Daarom bestaat er reden om slechts ten dele mee te gaan in de door appellant geclaimde klachten. De door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Met deze FML heeft de arbeidsdeskundige functies geselecteerd op basis waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 39,74%. Bij besluit van 15 april 2011 is vastgesteld dat appellant meer arbeidsgeschikt is dan voorheen en dat de arbeidsongeschiktheid per 8 april 2011 is vastgesteld op 39%. Vanwege de toekenning van de WGA-uitkering met ingang van

8 augustus 2009, die loopt tot 8 april 2012, wijzigt de hoogte van de loongerelateerde

WGA-uitkering echter niet.

1.5.

In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat hij zich niet in het standpunt van het Uwv kan vinden dat hij meer arbeidsgeschikt is en dat zijn beperkingen door het Uwv zijn onderschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na aanvullend medisch onderzoek bevestigd dat bij appellant sprake is van een chronisch pijnsyndroom en er geen reden is om meer beperkingen aan te nemen dan de verzekeringsarts heeft vastgesteld. Wel dient de FML deels bijgesteld te worden ten aanzien van hoofdbewegingen, het hoofd in een bepaalde stand houden en het kracht zetten met de rechterduim. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat met de bijgestelde FML er weliswaar functies vervallen, maar dat op basis van de resterende functies de schatting niet leidt tot een wijziging van het standpunt. Bij besluit van 21 september 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 april 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft op grond van het navolgende geen aanleiding gezien de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd aangegeven op welke wijze het protocol Whiplash bij de beoordeling is betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangegeven dat er pas sprake is van een objectiveerbare stoornis als klachten op basis van reguliere medische onderzoeksmethoden verklaard kunnen worden. De ervaren klachten kunnen niet op grond van een objectieve stoornis worden verklaard zodat er geen reden is om met deze ernstige belemmeringen rekening te houden. De rechtbank heeft de vastgestelde beperkingen zoals neergelegd in de FML onderschreven. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat de belasting, verbonden aan geselecteerde functies, de voor appellant vastgestelde belastbaarheid overschrijdt.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep staande gehouden dat hij meer beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen. Appellant heeft gesteld dat het Uwv ten onrechte geen urenbeperking heeft aangenomen. Zijn klachten als gevolg van moeheid, pijn en concentratieproblemen alsmede het energieverlies rechtvaardigen een urenbeperking. In dat verband heeft appellant gewezen op de door de bedrijfsarts opgestelde FML van 11 december 2011, waarin verdergaande beperkingen, waaronder een urenbeperking, zijn opgenomen dan waartoe de verzekeringsarts bezwaar en beroep is gekomen. Dit rapport van de bedrijfsarts is niet meegewogen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op het medische karakter van het geschilpunt dat partijen verdeeld houdt, heeft de Raad de deskundige Hokken, revalidatiearts, verzocht van verslag en advies te dienen. Hokken is op basis van zijn eigen onderzoek, de informatie van de behandelend sector en de kennisname van dossierstukken, in zijn rapport van 2 november 2015 tot de conclusie gekomen dat er sprake is van een discrepantie tussen enerzijds de klachten en beperkingen die appellant heeft aangegeven en anderzijds het door Hokken verrichte lichamelijk onderzoek en de bevindingen van de behandelend sector. Noch Hokken noch de behandelend sector hebben de door appellant aangegeven klachten en beperkingen kunnen objectiveren met uitzondering van een mobiliteitsbeperking van de rechterheup en elleboog als gevolg van een val in 2014. Hokken heeft geconcludeerd dat appellant op de datum in geding, 8 april 2011, niet bekend was met als ziekte of gebrek aan te merken afwijkingen, zodat er geen reden is om appellant beperkingen op te leggen met betrekking tot de datum in geding. Vervolgens heeft Hokken de beperkingen in de FML van 3 januari 2011 onderschreven. Voor het aannemen van een urenbeperking bestaat volgens Hokken geen aanleiding.

4.2.

In reactie op het deskundigenrapport heeft appellant een rapport van 14 maart 2016 van verzekeringsarts Van der Planken overgelegd, nader aangevuld bij brieven van

11 juli 2016 en 12 september 2016. Van der Planken heeft opgemerkt dat bij appellant sprake is van een postwhiplashsyndroom waarvan het kenmerk juist is dat klachten als gevolg van dit syndroom niet objectiveerbaar zijn. Van der Planken heeft er op gewezen dat het Uwv altijd is uitgegaan van dit syndroom. De door appellant aangegeven klachten, hoewel qua consistentie niet volmaakt, zijn volgens Van der Planken wel voldoende weergegeven en passen bij een postwhiplashsyndroom. Dat de klachten nadien evolueren en nadien een somatoform pijnsyndroom wordt gesteld, laat onverlet dat dit pijnsyndroom is ontstaan vanuit een whiplash disorder. Tot slot heeft deze arts er op gewezen dat Hokken de stukken met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in 2009, waarbij een urenbeperking was vastgesteld, niet heeft gezien en waardoor hij geen vergelijking heeft kunnen maken tussen de beoordeling in 2009 en in 2014.

4.3.

Naar aanleiding van het rapport van Van der Planken heeft Hokken bij brief van

12 augustus 2016 opgemerkt dat Van der Planken appellant nooit heeft onderzocht. Voorts heeft Hokken er op gewezen dat de verzekeringsartsen, zoals uit de rapporten naar voren komt, niet zijn uitgegaan van een typisch postwhiplashsyndroom of een whiplash associated disorder. Evenmin heeft de behandelend sector deze diagnose gesteld. In de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv wordt gesproken van een somatoform pijnsyndroom, een chronisch pijnsyndroom, bewegingsangst en gespannen spieren. Voorts heeft Hokken nogmaals gewezen op de bij zijn onderzoek geconstateerde discrepantie tussen enerzijds de door appellant aangegeven klachten en beperkingen en anderzijds de bevindingen bij zijn onderzoek als ook de bevindingen van de behandelend sector.

4.4.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het uitgebrachte rapport van 2 november 2015 van Hokken, aangevuld bij brief van 12 augustus 2016, geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Zijn diagnostische classificatie en zijn antwoorden op de hem door de Raad gestelde vragen sluiten aan bij de gegevens die hij in zijn onderzoek heeft verkregen. Ook is Hokken gemotiveerd ingegaan op hetgeen verzekeringsarts Van der Planken heeft ingebracht. Hokken heeft desgevraagd geconcludeerd dat bij appellant geen beperkingen op grond van ziekte of gebrek zijn vast te stellen. Hij heeft zich desondanks kunnen vinden in de door de verzekeringsarts opgestelde FML, zodat in die FML de beperkingen van appellant zeker niet zijn onderschat. Dat Hokken niet de beschikking had over de FML geldend per 8 april 2011, is in dit licht niet van belang, nu hij kennis heeft genomen van de FML van 3 januari 2011, waarmee hij zich kon verenigen en waarin minder beperkingen zijn opgenomen dan in de FML geldend per 8 april 2011. De grond dat onvoldoende rekening is gehouden met de psychische factoren, wordt niet onderschreven. Zoals het Uwv in het verweerschrift van 26 juli 2012 terecht heeft opgemerkt heeft de verzekeringsarts, zoals uit zijn rapport van januari 2011 blijkt, uitdrukkelijk de psychische gezondheidssituatie van appellant betrokken en gewogen. In hoger beroep heeft appellant daartoe geen medische gegevens ingebracht die tot het oordeel moeten leiden dat getwijfeld moet worden aan het standpunt van het Uwv. Gelet op het voorgaande wordt de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid zijn er geen redenen om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet passend te achten voor appellant.

5. Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2016.

(getekend) H. van Leeuwen

(getekend) A.M.C. de Vries

CVG