Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:5041

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-12-2016
Datum publicatie
03-01-2017
Zaaknummer
15/4442 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken bijstand. Middelen verzwegen. Bijschrijvingen op bankrekeningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4442 WWB

Datum uitspraak: 27 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2015, 14/7730 en 15/776 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C. Walker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2016. Voor appellante is

mr. Walker verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving van 10 september 2013 tot en met 18 november 2013 algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Deze bijstand is, in afwachting van de definitieve bedrijfsresultaten, verleend in de vorm van een renteloze geldlening en onder de voorwaarde dat appellante haar bedrijf zo spoedig mogelijk zou beëindigen. Per 19 november 2013 is het bedrijf van appellante uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Appellante ontving sinds 19 november 2013 bijstand op grond van de WWB naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%.

1.2.

Naar aanleiding van een melding dat appellante zich per 1 januari 2014 als zelfstandige heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, heeft een handhavingsspecialist van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) appellante verzocht bankafschriften te verstrekken over de periode vanaf januari 2014. Uit de door appellante verstrekte bankafschriften blijkt dat in de maanden januari, februari, maart, mei, juli en augustus 2014 bedragen zijn gestort of bijgeschreven op de bankrekening van appellante. Naar aanleiding hiervan heeft de handhavingsspecialist appellante op 2 september 2014 gehoord. Appellante heeft verklaard dat zij hoge kosten heeft voor (onder andere) haar bedrijfsauto, dat haar moeder haar vaste lasten betaalt en haar vriendin [naam vriendin L] (L) haar geld leent, dat zij elke maand € 400,- á € 500,- contant van haar moeder krijgt en dat zij daarvan niet alles op haar rekening stort. Van L heeft zij € 3.000,- geleend. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 8 september 2014.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

18 september 2014 de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2014 in te trekken omdat appellante inkomsten heeft uit arbeid waarmee zij in haar levensonderhoud kan voorzien.

1.4.

Bij besluit van 20 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 september 2014 deels gegrond verklaard en de bijstand van appellante vanaf 1 januari 2014 herzien door de verkregen inkomsten in mindering te brengen op de bijstand. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante geen melding heeft gemaakt van de ontvangst van structurele bijdragen die appellante van haar moeder en van L heeft ontvangen op haar bankrekening. Deze bijdragen worden niet als lening maar als inkomsten aangemerkt die gekort moeten worden op de bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vaststaat dat appellante in de periode van januari 2014 tot en met september 2014 regelmatig bedragen variërend van € 200,- tot € 1.311,-, en tot een totaalbedrag van € 4.331.-, op haar bankrekening heeft ontvangen of gestort. Niet in geschil is dat appellante hiervan geen melding heeft gemaakt bij het college.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB en de Participatiewet worden beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB en de PW. De stelling dat sprake is van geleende bedragen die moeten worden terugbetaald, leidt op zichzelf niet tot een ander oordeel. Een geldlening is immers in

artikel 31, tweede lid, van de WWB en de PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Voorts worden periodieke betalingen van derden - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt - naar vaste rechtspraak als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt (uitspraak van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138). Dat bij een aannemelijk gemaakte lening de schuldenlast van betrokkene toeneemt, is - in gevallen als hier waarin geen sprake is van een als vermogen aan te merken middel - niet van belang. Hetzelfde geldt voor de vraag of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden. Anders dan appellante heeft betoogd, maakt de omstandigheid dat zij op 2 september 2014 een bedrag van € 3.200,- heeft terugbetaald aan L, het voorgaande niet anders.

4.3.

Naar eveneens vaste rechtspraak (uitspraken van 25 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3872 en 15 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3188) kan wat onder 4.1 ten aanzien van de bijstandontvanger is overwogen mogelijk anders zijn indien een betrokkene, in een periode waarin hij (nog) geen bijstand of ander inkomen ontvangt, ter voorziening in de kosten van levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van geldleningen. Daartoe dient de betrokkene allereerst aannemelijk te maken dat hij geen ander inkomen heeft. Daarnaast van wie, wanneer, op welke wijze en tot welk bedrag hij de lening heeft ontvangen, dat uiterlijk bij de betaling de afspraak is gemaakt dat het een lening betreft

- en dat die dus moet worden terugbetaald - en dat die lening voor levensonderhoud is bedoeld. Aldus ontstaat een situatie die vergelijkbaar is met het geval dat een bijstandverlenend orgaan - na een aanvraag maar voordat daarop is beslist - een voorschot in de vorm van een geldlening zou hebben verstrekt. Deze situatie, of een daarmee gelijk te stellen situatie doet zich, gelet op 1.1, in het geval van appellante, anders dan zij heeft betoogd, niet voor. Appellante zat in de periode hier van belang immers niet zonder inkomen.

4.4.

De door appellante aangevoerde grond dat de bijschrijvingen ten onrechte als inkomen zijn aangemerkt omdat deze bestemd waren voor specifieke kosten waaronder de kosten van de boekhouder, slaagt evenmin. Daartoe is van belang dat appellante op 2 september 2014 heeft verklaard dat zij de van haar moeder ontvangen bedragen heeft besteed aan levensonderhoud, de betaling van huur, gas en elektra, parkeergeld, brandstof en verzekering van haar bedrijfsauto. Appellante heeft weliswaar verklaard dat zij een schuld heeft van ongeveer € 1.000,- aan haar boekhouder en op haar bankafschriften zijn maandelijks overboekingen te zien naar haar boekhouder, maar daarmee heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij niet vrijelijk kon beschikken over de door haar ontvangen bedragen.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het college de periodieke stortingen en bijschrijvingen terecht heeft aangemerkt als inkomsten die in mindering moeten worden gebracht op de bijstand van appellante. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en A. Stehouwer en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2016.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD