Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:5038

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-12-2016
Datum publicatie
03-01-2017
Zaaknummer
15/788 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep terecht niet ontvankelijk verklaard. Gebrek van geen gronden niet hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2017/23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/788 WWB

Datum uitspraak: 27 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

19 december 2014, 14/2835 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Menterwolde (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.S. Ilahi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Ilahi heeft zich onttrokken als gemachtigde.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2016. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.P.H. van Dijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Bij besluit van 11 december 2013 heeft het college, voor zover hier van belang, het recht op bijstand van appellante met ingang van 15 juli 2013 ingetrokken op de grond dat appellante op die datum op grond van artikel 11 van de WWB niet langer tot de kring van rechthebbenden behoort.

1.3.

Bij besluit van 19 mei 2014 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 december 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van appellante tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen gronden heeft aangevoerd tegen de intrekking van haar bijstandsuitkering met ingang van 15 juli 2013.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante is, kort samengevat, van mening dat het college haar bijstandstuitkering ten onrechte per

15 juli 2013 heeft ingetrokken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad ziet zich allereerst ambtshalve gesteld voor de vraag of de rechtbank het beroep van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend.

4.1.1.

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. In artikel 6:6 van de Awb is - voor zover hier van belang - bepaald dat indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gestelde vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, dit beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Procesregeling Bestuursrecht 2013 dient de rechtbank in een brief waarin een termijn wordt gegeven tot herstel van een verzuim op te nemen dat het beroep bij het uitblijven van (tijdig) herstel niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

4.1.2.

Bij brief van 15 juli 2014 heeft de rechtbank vastgesteld dat het beroepschrift van 7 juli 2014 niet voldoet aan de voorwaarde dat daarin de gronden van het beroep worden genoemd. Appellante is daarom in de gelegenheid gesteld om uiterlijk binnen vier weken na de datum van verzending van de brief van 15 juli 2014 die gronden aan de rechtbank kenbaar te maken. Tevens is in die brief opgemerkt dat wanneer niet aan voornoemd verzoek wordt voldaan en ook niet binnen de gestelde termijn een verzoek om uitstel wordt ingediend, de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren. In het aanvullend beroepschrift van 12 augustus 2014 heeft de gemachtigde voor appelante vermeldt dat het college in redelijkheid haar bijstand niet heeft kunnen intrekken, maar geen beroepsgrond(en) geformuleerd. Evenmin is door appellante om uitstel gevraagd. Ten slotte heeft de gemachtigde ter zitting bij de rechtbank desgevraagd bevestigd dat zij voor appellante “niet méér” beroepsgronden naar voren heeft gebracht. Hieruit volgt dat de rechtbank het beroep van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat de beroepsgrond gericht tegen de intrekking van de bijstandsuitkering per 15 juli 2013 niet voor bespreking in aanmerking komt.

4.2.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en A. Stehouwer en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2016.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD