Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:5034

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-12-2016
Datum publicatie
03-01-2017
Zaaknummer
16/2369 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen verzwegen gezamenlijke huishouding. Verklaring appellante en waarnemingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2369 PW

Datum uitspraak: 27 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

4 maart 2016, 15/8443 en 15/8775 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.K. Jap A Joe, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. H.S.K. Jap A Joe, advocaat, waarnemend voor

mr. H.K. Jap A Joe. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. P.C. van Aller.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sedert 28 januari 2008 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het college verleende appellante de bijstand op het [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van anonieme meldingen dat appellante op het uitkeringsadres zou samenwonen, hebben medewerkers van de afdeling Handhaving van de gemeente Zoetermeer een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft een sociaal rechercheur onder andere waarnemingen verricht in de omgeving van het uitkeringsadres in de periode van 22 april 2015 tot en met 9 juni 2015. Op 10 juni 2015 hebben twee sociaal rechercheurs een huisbezoek aan het uitkeringsadres afgelegd en appellante op diezelfde datum gehoord. Van de onderzoeksbevindingen is een rapport opgemaakt, gedateerd op 16 juli 2015.

1.3.

Bij besluit van 18 juni 2015 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

14 oktober 2015 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 10 juni 2015 ingetrokken. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante een gezamenlijke huishouding met [A.] (A) voerde en daarvan geen melding heeft gemaakt. Als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 25 augustus 2015 (besluit 2), na bezwaar gehandhaafd bij afzonderlijk besluit van 14 oktober 2015 (bestreden besluit 2), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2015 tot 1 juni 2015 tot een bedrag van € 4.804,15 van appellante teruggevorderd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante sinds 1 januari 2015 een gezamenlijke huishouding voerde met A. Zij heeft dit in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet gemeld, zodat het recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit vernietigde besluit in stand blijven en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, overwogen dat de onderzoeksresultaten van het huisbezoek met betrekking tot de inhoud van de kasten en dozen buiten beschouwing hadden moeten worden gelaten. In zoverre is bestreden besluit 1 niet deugdelijk onderbouwd en dient het te worden vernietigd. Het college mocht wel uitgaan van de overige onderzoeksbevindingen. Die bieden voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat appellante en A vanaf 10 juni 2015 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Daarom worden de rechtsgevolgen in stand gelaten. De door appellante op 10 juni 2015 afgelegde verklaring biedt voldoende grondslag voor de conclusie dat appellante vanaf 1 januari 2015 een gezamenlijke huishouding met A voerde.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit 1 in stand zijn gelaten en voor zover het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. In dit geval betekent dit dat ter beoordeling voorligt de periode van 1 januari 2015 tot en met 25 augustus 2015.

4.2.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wet werk en bijstand is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Aan beide criteria moet zijn voldaan.

4.3.

Het antwoord op de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellante en A stonden in de te beoordelen periode op afzonderlijke adressen ingeschreven. Dat gegeven staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning op één van die adressen.

4.4.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat A in de periode van 1 januari 2015 tot 22 april 2015 (de datum waarop de waarnemingen zijn aangevangen) niet zijn hoofdverblijf had in haar woning op het uitkeringsadres. Ten aanzien van de periode vanaf 22 april 2015 heeft appellante zich gerefereerd aan het oordeel van de Raad daarover.

4.5.

Appellante heeft met betrekking tot de eerst bedoelde periode aangevoerd dat het college bij de besluitvorming niet had mogen uitgaan van haar verklaring, afgelegd in het gesprek op

10 juni 2015, dat A vanaf 1 januari 2015 bij haar woont, omdat zij door de spanning onbedoeld deze datum als aanvangsdatum van het verblijf van A in haar woning heeft vermeld. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.5.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis.

Wat appellante in dit verband naar voren heeft gebracht bevat onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het college de op schrift gestelde en door appellante ondertekende verklaring van 10 juni 2015 niet aan de besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Nadat appellante in het gesprek werd geconfronteerd met de resultaten van de waarnemingen, heeft zij verklaard dat A sinds januari 2015 woonachtig bij haar was. Zij heeft dit toegelicht door mee te delen dat zij daarvoor niet goed waren met elkaar en dat zij sinds december 2014 weer goed met elkaar omgaan en dat A sindsdien bij haar woont. Van betekenis is dat appellante deze mededelingen blijkens het verslag spontaan en niet in reactie op daarop gerichte vragen heeft gedaan. Zij heeft die mededelingen bovendien toegelicht en aan het einde van het gesprek herhaald. In dit licht valt niet in te zien dat de verklaring van appellante met betrekking tot de datum waarop A bij haar is komen wonen niet in overeenstemming is met de werkelijkheid, zoals appellante heeft betoogd. Dat appellante door de spanning een willekeurige datum heeft genoemd, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Van een onaanvaardbare druk tijdens het gesprek is, zoals appellante ter zitting heeft erkend, niet gebleken. Het college heeft dan ook mogen uitgaan van deze verklaring van appellante.

4.6.

De verklaring van appellante dat A bij haar op het uitkeringsadres woont, vindt steun in de bevindingen van het huisbezoek. Tijdens het huisbezoek zijn kleding, administratie, post en medicijnen van A aangetroffen.

4.7.

De in 4.5.1 en 4.6 vermelde onderzoeksbevindingen vormen in onderlinge samenhang bezien reeds een toereikende grondslag voor het standpunt dat A in de te beoordelen periode tezamen met appellante zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Ten aanzien van de periode voor 22 april 2015 is hierbij voorts van betekenis dat niet is gesteld of gebleken dat de woon- en leefsituatie van appellante in die periode wezenlijk anders was dan in de periode daarna. Ten aanzien van de periode vanaf 22 april 2015 wordt de conclusie dat A zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante verder ondersteund door de waarnemingen die vanaf deze datum zijn verricht. Van de 37 waarnemingen is 32 keer een auto, geregistreerd op naam van A, in de nabije omgeving van het uitkeringsadres aangetroffen. Appellante heeft in het licht daarvan en van de tijdens het huisbezoek aangetroffen persoonlijke spullen van A niet aannemelijk gemaakt dat, zoals zij heeft verklaard, A in verband met een verbouwing van zijn woning slechts af en toe en slechts tijdelijk bij haar verbleef. In dit verband is mede van betekenis dat appellante ter zitting van de Raad desgevraagd niet, ook niet bij benadering, heeft kunnen meedelen in welke periode die verbouwing heeft plaatsgevonden.

4.8.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.9.

Appellante heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat de verklaring van appellante dat zij onderdak verschaft aan A en zijn was doet en dat hij in haar woning doucht en daar ontbijt en dat hij haar financieel ondersteunt, een toereikende feitelijke grondslag vormt voor de conclusie dat is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Dit aspect van de gezamenlijke huishouding behoeft daarom geen bespreking.

4.10.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van J.J.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2016.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD