Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:503

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
14/4865 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag na eerdere beëindiging ZW-uitkering. Een andere diagnostische interpretatie van reeds bekende feiten en omstandigheden is niet aan te merken als een nieuw feit of een veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4865 ZW

Datum uitspraak: 17 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

22 juli 2014, 13/8167 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld en zijn nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en geantwoord op een vraag van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. B. Arabaci. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

M.M.J.C. Budel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, nadat zijn werkzaamheden als postsorteerder waren geëindigd. Vanuit deze situatie heeft hij zich op

27 juni 2012 ziek gemeld. Na een onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 14 augustus 2012 de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van

15 augustus 2012 beëindigd, omdat appellant weer voor zijn arbeid als postsorteerder geschikt werd geacht. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 17 augustus 2012 blijkt dat aan de ziekmelding van appellant klachten van slecht slapen, sufheid door medicatie, hoofdpijn en agressieproblemen ten grondslag hebben gelegen. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 augustus 2012 is, na een onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep waarvan verslag is gedaan met een rapport van 18 oktober 2012, bij besluit van 25 oktober 2012 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.

1.2.

Op 6 mei 2013 heeft appellant zich opnieuw ziek gemeld bij het Uwv. Door de door appellant ingeschakelde hulpverlener heeft daarbij te kennen gegeven dat appellant heeft verzuimd om tijdens de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken in 2012 de juiste medische informatie te verstrekken. Appellant was op 15 augustus 2012 ernstig ziek en is dat sindsdien gebleven. Hij heeft ernstig slaapapneu, hartklachten en psychische klachten.

1.3.

Het Uwv heeft de ziekmelding opgevat als een verzoek om herziening van het besluit van 25 oktober 2012. Bij besluit van 1 oktober 2013 heeft het Uwv herhaald dat appellant vanaf 15 augustus 2012 geen recht heeft op een ZW-uitkering. Als motivering is gegeven: “geen nieuwe feiten/klachten”. Aan het besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts ten grondslag van 1 oktober 2013, waarin onder meer is uiteengezet dat in de medische gegevens die appellant na zijn melding van 6 mei 2013 aan het Uwv heeft verstrekt wel een nieuwe diagnose (slaapapneu) is beschreven, maar dat de slaapklachten van appellant ook al in 2012 bekend waren.

1.4.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 oktober 2013 is bij besluit van

14 november 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit is een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 november 2013 ten grondslag gelegd. Deze arts heeft appellant samen met zijn hulpverlener op het spreekuur gezien, appellant medisch onderzocht en informatie ingewonnen bij de huisarts van appellant, de behandelend neuroloog en de psychiater. In zijn rapport heeft ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep als zijn opvatting gegeven dat er geen medische grond is om op de hersteldverklaring per 15 augustus 2012 terug te komen omdat de klachten van appellant ongewijzigd zijn.

2. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het verzoek van appellant om terug te komen van zijn beslissing om de ZW-uitkering met ingang van 15 augustus 2012 moet worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens de rechtbank heeft appellant geen feiten of omstandigheden aangevoerd die zijn voorgevallen nadat het besluit van

25 oktober 2012 was genomen en die niet voor het nemen van dat besluit konden en dus behoorden te worden aangevoerd. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat namens appellant ter zitting van de rechtbank is verklaard dat de diagnose slaapapneusyndroom is gesteld, nadat hij op 3 oktober 2012 door een neuroloog was gezien.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat het slaapapneusyndroom een nieuw feit is. Hij was met die diagnose niet bekend toen hij in 2012 door de artsen van het Uwv werd onderzocht.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft in overweging 5 van de aangevallen uitspraak een juist toetsingskader gegeven.

4.2.

Dat appellant slaapklachten had, zich moe en suf voelde, was vanaf zijn ziekmelding op 27 juni 2012 bij het Uwv bekend. De verzekeringsartsen die appellant in 2012 hebben onderzocht, hebben appellant op de ernst van deze klachten bevraagd teneinde zich een beeld te vormen van de invloed van die klachten op de geschiktheid van appellant voor zijn werk als postsorteerder. Tijdens het onderzoek op 18 oktober 2012 heeft appellant de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook gemeld dat hij last heeft van snurken, daarvoor bij de huisarts is geweest en naar een neuroloog zal worden verwezen. Deze informatie is betrokken bij het besluit van 25 oktober 2012 waarbij de beëindiging van de ZW-uitkering met ingang van

15 augustus 2012 is gehandhaafd.

4.3.

Een verzekerde heeft op grond van artikel 19 van de ZW bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht heeft op ziekengeld. In vaste rechtspraak is tot uitdrukking gebracht dat het daarbij gaat om de uit de ziekte voortvloeiende arbeidsbeperkingen en dat aan de diagnose een ondergeschikte betekenis toekomt. Een andere diagnostische interpretatie van reeds bekende feiten en omstandigheden is niet aan te merken als een nieuw feit of een veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb (onder meer ECLI:NL:CRVB:2013:2626).

4.4.

Dat appellant - zoals hij heeft gesteld, maar op grond van de door de rechtbank verkregen gegeven kan worden betwijfeld - pas later bekend is geworden met de diagnose

slaapapneusyndroom, betekent niet dat de verzekeringsartsen de slaapklachten van appellant buiten hun beoordeling van de arbeidsbeperkingen van appellant hebben gelaten. De door de neuroloog aan de slaapklachten verbonden diagnose is geen nieuw feit.

4.5.

Het Uwv was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek om herziening af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar de eerdere besluitvorming. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uitoefening van deze bevoegdheid de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

4.6.

Appellant heeft onder verwijzing naar een kort voor de zitting ingezonden rapport van een klinisch neuropsycholoog nog gesteld dat een nieuw feit is dat bij appellant de diagnose depressieve stoornis is gesteld. Deze stelling kan onbesproken blijven. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2012:BW9937) kan met nieuwe feiten die pas in de fase van beroep of hoger beroep naar voren worden gebracht geen rekening kan worden gehouden bij de rechterlijke toetsing van met toepassing van artikel 4:6 van de Awb genomen besluiten.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dus worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2016.

(getekend) M. Greebe

(getekend) N. Veenstra

HD