Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:5027

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
29-12-2016
Zaaknummer
15/3662 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het percentage arbeidsongeschiktheid is in bezwaar gewijzigd van 56,26 naar 56,49. Geen sprake van herroepen. Het Uwv heeft stukken ingediend na de tiende dag voor de zitting. De rechtbank heeft gehandeld in strijd met de beginselen van de goede procesorde. Zorgvuldig medisch onderzoek. Juistheid FML. Geschiktheid functies. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2017/13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3662 WIA

Datum uitspraak: 23 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

10 april 2015, 14/3440 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.Y. Gans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gans. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als monteur voor 39,34 uren per week. Hij heeft zich op 7 mei 2012 ziek gemeld ten gevolge van psychische klachten.

1.2.

Bij besluit van 1 april 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 5 mei 2014 recht heeft op een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 56,26%.

1.3.

Bij besluit van 2 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 1 april 2014 door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij dit besluit is meegedeeld dat het percentage arbeidsongeschiktheid gewijzigd is van 56,26 naar 56,49.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Er is geen reden om aan te nemen dat de mogelijkheden en beperkingen van appellant op onjuiste wijze in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zijn neergelegd. Appellant heeft geen medische gegevens in het geding gebracht die twijfel wekken over de correctheid van de vaststelling van zijn belastbaarheid op de datum in geding. De in beroep overgelegde informatie van PsyQ bevat geen wezenlijk andere informatie dan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in bezwaar verkregen informatie. Niet is gebleken dat deze informatie door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist is uitgelegd. Voor zover er op de datum in geding sprake was van lichamelijke klachten heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant deze niet heeft onderbouwd met een medische verklaring. De rechtbank is verder van oordeel dat de in de FML opgenomen urenbeperking van 20 uren per week met verwijzing naar de Standaard verminderde arbeidsduur voldoende is gemotiveerd, waarbij is opgemerkt dat appellant met deze urenbeperking niet is benadeeld. Het bestreden besluit berust volgens de rechtbank op juiste medische grondslag. Appellant moet medisch gezien in staat worden geacht de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies te vervullen.

2.2.

Voor een vergoeding van de kosten in bezwaar heeft de rechtbank geen aanleiding gezien. Weliswaar is sprake van een (geringe) wijziging van het arbeidsongeschiktheidspercentage in de bezwaarfase, maar de resterende verdiencapaciteit is ongewijzigd vastgesteld op € 880,09. Er is daarom geen sprake van herroepen als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.1.1.

Namens appellant is in hoger beroep allereerst aangevoerd dat uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank ten onrechte het verweerschrift van het Uwv heeft geaccepteerd en de rechtbank niet naar behoren artikel 8:58 van de Awb heeft toegepast. Het Uwv heeft eerst op vrijdag 27 maart 2015 een verweerschrift met als bijlage een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 maart 2015 ingediend, terwijl de zitting plaatsvond op dinsdag 31 maart 2015. Ter zitting van de rechtbank heeft appellant hiertegen bezwaar gemaakt en de rechtbank verzocht het verweerschrift buiten beschouwing te laten dan wel hem een termijn te gunnen hier alsnog op te reageren. Appellant heeft er verder op gewezen dat het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank geen volledige en juiste weergave bevat van wat ter zitting is besproken. Anders dan is vermeld, heeft de rechtbank ter zitting niet uitdrukkelijk beslist over het meenemen van het verweerschrift.

3.1.2.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, omdat de onderzoeken naar zijn klachten en behandelingen volop liepen. Ook de vaststelling van zijn beperkingen is niet juist. Zijn lichamelijke en psychische klachten zijn onvoldoende vertaald in de FML. Daarnaast is onvoldoende gemotiveerd waarom een medische urenbeperking van 20 uur per week afdoende wordt geacht. Hij acht zich daarom niet geschikt om de ten behoeve van de schatting geselecteerde functies te vervullen. Daarbij heeft hij erop gewezen dat gelet op zijn medicatie hij geen auto mag besturen en gelet op zijn paniek- en angststoornissen niet zelfstandig kan reizen.

3.1.3.

Tenslotte heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake is van herroepen als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Deze stelling heeft hij echter ter zitting van de Raad niet gehandhaafd.

3.2.

Het Uwv heeft in het verweerschrift verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 8:58 van de Awb kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Het Uwv heeft het verweerschrift, met als bijlage het rapport van

26 maart 2015 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, op 27 maart 2015 ingediend, terwijl de zitting plaatsvond op 31 maart 2015, derhalve na de tiende dag voor de zitting. Uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank valt niet ondubbelzinnig op te maken dat appellant zich gerefereerd heeft aan de beslissing van de rechtbank om deze stukken in haar beoordeling van het bestreden besluit te betrekken. Uit het proces-verbaal valt veeleer op te maken dat appellant bezwaar had gemaakt tegen de handelwijze van het Uwv en ten minste in de gelegenheid wilde worden gesteld schriftelijk te reageren. De rechtbank is ten onrechte hieraan voorbijgegaan. Waar het hier gaat om stukken waarin voor het eerst gereageerd is op het (aanvullend) beroepschrift, had de rechtbank, bij aanvaarding van genoemde nadere stukken appellant gelegenheid moeten geven om een reactie te formuleren en had zij daartoe het onderzoek ter zitting met toepassing van artikel 8:64 van de Awb moeten schorsen, dan wel het onderzoek na de zitting met toepassing van artikel 8:68 van de Awb moeten heropenen. Door dit na te laten heeft de rechtbank in strijd gehandeld met de beginselen van een goede procesorde.

4.1.2.

In wat in 4.1.1 is overwogen is onder de gegeven omstandigheden onvoldoende grond gelegen voor vernietiging en terugwijzing. Er zijn geen redenen om de zaak opnieuw door de rechtbank te doen behandelen. Appellant heeft niet verzocht om een dergelijke nieuwe behandeling door de rechtbank en heeft in hoger beroep de gelegenheid gehad te reageren op de betreffende stukken en heeft dit bij aanvullend hogerberoepschrift gedaan. Wel kan hij om die reden aanspraak maken op een kostenvergoeding.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek volledig en zorgvuldig is geweest. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts dossieronderzoek heeft verricht, waarbij de gegevens van de Arbodienst van de Ziektewet zijn bezien, en appellant heeft onderzocht op het spreekuur. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de dossiergegevens bestudeerd, appellant gehoord op de hoorzitting, kennis genomen van de door appellant in bezwaar ingebrachte medische gegevens, alsook zelf informatie ingewonnen en gekregen van de behandelaar van appellant, klinisch psycholoog

B. Butz van PsyQ. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft van zijn bevindingen verslag gedaan en de verkregen informatie kenbaar meegewogen in zijn oordeelsvorming. Niet is gebleken dat de verkregen informatie onjuist is uitgelegd of de daaruit volgende conclusies onzorgvuldig tot stand zijn gekomen.

4.3.

De rechtbank heeft voorts met juistheid geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de door de verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen van appellant onjuist zijn vastgesteld of dat de beperkingen niet goed zijn weergegeven in de FML. De Raad onderschrijft de overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd. Met betrekking tot de rubrieken 1 en 2 van de FML heeft ook de Raad in de in bezwaar en beroep overgelegde informatie van PsyQ geen aanknopingspunt gevonden voor het oordeel dat appellant meer of zwaarder beperkt is te achten dan is weergegeven. Uit deze informatie van PsyQ kan evenmin worden afgeleid dat de voorgestelde behandeling zoveel tijd in beslag neemt dat appellant hiertoe met de voor hem gestelde urenbeperking van 20 uren per week niet in staat zou zijn. Ter zitting van de Raad is komen vast te staan dat ten tijde in geding van behandeling nog geen sprake was en deze eerst in 2016 een aanvang heeft genomen. Anders dan door appellant is betoogd geven de beschikbare medische gegevens geen aanleiding voor het standpunt dat appellant op de datum in geding zonder behandeling niet in staat was te achten werkzaamheden te verrichten.

4.4.

Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant, zoals vastgelegd in de FML, wordt geen grond gezien voor het oordeel dat appellant ten gevolge van zijn psychische en lichamelijke klachten niet geschikt is de werkzaamheden in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te verrichten. De arbeidsdeskundige heeft toereikend gemotiveerd dat de functies in medisch opzicht voor appellant passend zijn. Wat er verder zij van de stelling van appellant dat hij vanwege de voorgeschreven medicatie geen voertuig kan besturen, in geen van de geselecteerde functie wordt rijvaardigheid gevraagd, zodat de Raad reeds hierom aan deze stelling voorbijgaat. Appellant heeft voorts zijn stelling dat hij niet zelfstandig, zonder begeleiding, kan reizen met het openbaar vervoer, niet onderbouwd met een medisch stuk. Omdat ook overigens in de medische stukken voor de juistheid van deze stelling geen aanknopingspunt is te vinden, passeert de Raad deze stelling.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Gelet op wat is overwogen in 4.1 bestaat er aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 992,- voor verleende rechtsbijstand en € 44,68 voor reiskosten, in totaal € 1.036,68.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van

€ 1.036,68;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,-vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen als voorzitter en L. Koper en W.E. Doolaard als leden, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2016.

(getekend) H. van Leeuwen

(getekend) A.M.C. de Vries

IJ