Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:5012

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
03-01-2017
Zaaknummer
15/70 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand extra bewassingskosten. Meerkosten niet aannemelijk gemaakt. Aanvraag bijzondere bijstand onderhouds- en reparatiekosten ligt niet voor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 70 WWB, 15/71 WWB, 15/72 WWB

Datum uitspraak: 13 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 27 november 2014, 12/3250, 12/3252 en 13/3191 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Best (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. O.F.X. Roozemond, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2016. Namens appellante is verschenen mr. Roozemond. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. B.C.W. Vorstenbosch en A. van Osch.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 15 november 2011 heeft appellante, voor zover hier van belang, bijzondere bijstand aangevraagd ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) voor de kosten van extra bewassing en de kosten voor kleding- en beddengoed slijtage in het jaar 2012.

1.2.

Op 21 januari 2012 heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd op grond van de WWB voor reiskosten gemaakt in het jaar 2011 ten behoeve van reizen naar meerdere ziekenhuizen in verband met de medische situatie van appellante en wijlen haar echtgenoot, [naamechtgenoot appellante].

1.3.

Naar aanleiding van de aanvraag genoemd onder 1.1 heeft het college op 2 februari 2012 een medisch advies gevraagd bij GGD Brabant-Zuidoost (GGD). De bevindingen van het medisch onderzoek, verricht door de aan de GGD verbonden AGZ-arts K.H. Gan, zijn neergelegd in een rapportage van 6 maart 2012. In deze rapportage staat onder meer het volgende: “ [...] Het urostoma, en de allergie voor colofonium zijn onveranderd. [...] Er zijn colofonium-vrije bevestigingen voor een urostoma. Nadeel is dat deze soms minder flexibel zijn, en soms onverwacht los kunnen laten. [...] Het betreft een vrouw met een urostoma, welke soms los laat, wat tot gevolg heeft dat haar kleren nat worden. Mevrouw moet dan vaker wassen, en veelvuldig wassen kan voortijdige slijtage tot gevolg hebben. [...] Mevrouw is regelmatig incontinent. [...] In het verleden gaf mevrouw aan dat zij meer wasbeurten nodig had, dan de berekeningen en schattingen van het Juridisch Basisboek GMD. Ik kan dit niet onderbouwen. U kunt e.e.a. objectiveren aan de hand van het watergebruik: als mevrouw inderdaad meer wasbeurten nodig heeft dan de schattingen van de GMD, dan moet dit in het waterverbruik terug te zien zijn”.

1.4.

Vervolgens heeft een medewerkster van de gemeente Best de verbruiksgegevens van appellante van water en elektriciteit opgevraagd bij Brabantwater en Enexis.

1.5.

Bij besluit van 27 maart 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 september 2012 (bestreden besluit 1), heeft het college aan appellante bijzondere bijstand toegekend voor reiskosten gemaakt in het jaar 2011 ten behoeve van reizen naar meerdere ziekenhuizen tot een bedrag van in totaal € 208,35. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de goedkoopst adequate voorziening wordt vergoed. In het geval van appellante is de goedkoopst adequate voorziening het vervoer per eigen auto, waarbij de maximale onbelaste vergoeding € 0,19 per kilometer bedraagt.

1.6.

Bij besluit van 18 april 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 september 2012 (bestreden besluit 2), heeft het college, voor zover hier van belang, de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van extra bewassing en van de daaruit voortvloeiende extra slijtage van kleding- en beddengoed in het jaar 2012 afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante geen aantoonbare meerkosten heeft, waardoor de gestelde kosten zich niet voordoen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover deze ziet op de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van extra bewassing en van de daaruit voortvloeiende extra slijtage van kleding- en beddengoed in het jaar 2012 en de gemaakte reiskosten in het jaar 2011 ten behoeve van reizen naar meerdere ziekenhuizen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 35, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, van de WWB niet van toepassing zijn.

4.2.

Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

Bijzondere bijstand voor de kosten van extra bewassing en extra slijtage van kleding- en beddengoed

4.3.1.

In geschil is alleen het antwoord op de vraag of de gestelde meerkosten zich voordoen.

4.3.2.

Appellante heeft aangevoerd dat het feit dat haar waterverbruik lager is dan het gemiddelde verbruik volgens het Nationaal Instituut voor budgetvoorlichting (Nibud) niet zonder meer tot de conclusie kan leiden dat zij geen meerkosten heeft, omdat zij water- en energiebesparende maatregelen heeft getroffen. Appellante betwist voorts dat zij geen stukken ter onderbouwing van de aanvraag voor de kosten van de extra slijtage van kleding- en beddengoed heeft overgelegd. Zij heeft ten tijde van de aanvraag aankoopbewijzen moeten overleggen en heeft aankoopbonnen over geheel 2012 overgelegd. Daarnaast koopt appellante veel kleding op de markt waarvan zij geen aankoopbewijs krijgt.

4.3.3.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij meerkosten heeft in verband met extra bewassing en extra slijtage van kleding en beddengoed. Uit de verklaring van de AGZ-arts volgt niet dat appellante vanwege haar ziekte meerkosten heeft. De AGZ-arts heeft het echter niet uitgesloten geacht en heeft het college geadviseerd naar het werkelijk waterverbruik te kijken. Uit de gegevens van het waterverbruik van appellante blijkt dat zij samen met haar echtgenoot in de periode van mei 2008 tot mei 2009 62 m3 heeft verbruikt, in de periode van mei 2009 tot mei 2010 64 m3 en in de periode van mei 2010 tot mei 2011 67 m3. Dit verbruik ligt onder het volgens het NIBUD gemiddelde waterverbruik voor een tweepersoonshuishouden van 91m3. Dit lage verbruik duidt niet op meerkosten in verband met extra bewassing. De niet onderbouwde stelling dat appellante water- en energiebesparende maatregelen heeft getroffen, biedt, uitgaande van het door appellante gestelde aantal wasbeurten en gelet op haar verklaring dat zij zich als gevolg van haar incontinentie vaker moet douchen, geen verklaring voor het lage waterverbruik. Appellante heeft daarmee niet de door haar gestelde meerkosten aannemelijk gemaakt. In het verlengde hiervan kan ook niet worden gezegd dat appellante vanwege extra wasbeurten kosten heeft voor extra slijtage van kleding en beddengoed. Appellante heeft ook niet met verifieerbare stukken onderbouwd dat zij daadwerkelijk extra kosten heeft gehad voor kleding en beddengoed. Dat appellante voor kleding die zij heeft gekocht op de markt geen aankoopbewijzen ontvangt, komt voor haar risico. Nu niet is gebleken dat de kosten voor extra bewassing en extra kleding- en beddengoedslijtage zich voordoen heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor die kosten terecht afgewezen.

Bijzondere bijstand voor reiskosten in het jaar 2011 naar meerdere ziekenhuizen

4.4.1.

Appellante heeft aangevoerd dat zij naast de kilometervergoeding ook de reparatie- en onderhoudskosten van haar auto vergoed wil hebben. Omdat zij zoveel naar ziekenhuizen rijdt liggen die kosten hoger dan normaal. Verder kan onder de gegeven persoonlijke omstandigheden niet steeds naar de afzonderlijke aanvragen om bijzondere bijstand worden gekeken. Het college dient in dit geval alle aanvragen gedurende een bepaalde periode onderling te bezien, omdat de per aanvraag niet vergoede kosten door stapeling tot een hoog bedrag kunnen oplopen.

4.4.2.

Uit het door appellante ingevulde en ondertekende aanvraagformulier ten behoeve van de reiskosten blijkt dat appellante niet heeft verzocht om bijzondere bijstand ten behoeve van de gestelde reparatie- en onderhoudskosten van de auto. Deze kosten maken daarom geen deel uit van het onderhavige geding. Gelet hierop en gelet op het feit dat het college de wel door appellante gevraagde reiskosten heeft vergoed, behoeft de beroepsgrond dat rekening moet worden gehouden met stapeling van de kosten in dit verband geen bespreking.

Conclusie

4.5.

Uit 4.3.1 tot en met 4.4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en P.W. van Straalen en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2016.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) M.S. Spek

IJ