Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:5010

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
03-01-2017
Zaaknummer
15/721 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet bevoegd tot intrekken en terugvorderen. Geen schending inlichtingenverplichting door uitspraak Raad van State inzake verblijfsrecht niet tijdig te melden omdat hiermee het verblijfsrecht niet was gewijzigd. Het college was op de hoogte van verblijfsrechtelijke procedure. Het college is blijven doorbetalen terwijl bekend was dat er geen recht was. Terugvordering tegen rechtszekerheidsbeginsel.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2017/20
AB 2017/69 met annotatie van R. Ortlep
USZ 2017/47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 721 WWB

Datum uitspraak: 13 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 december 2014, 14/5316 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Delft (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.J.M. Schonkeren, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schonkeren. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Spaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft de Sierraleoonse nationaliteit. Zij had van 4 december 2001 tot 4 december 2006 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in

artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) onder de beperking als vermeld in hoofdstuk B9 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (rechtmatig verblijf van slachtoffers en

getuige-aangevers van mensenhandel). Op 4 december 2006 heeft appellante een aanvraag ingediend tot verlenging van de geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning. Bij besluit van 13 maart 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 april 2010, is de aanvraag afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Bosch, van 10 december 2010 (10/18839) ongegrond verklaard. Deze uitspraak is in hoger beroep bevestigd bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 februari 2012 (201100327/1/V2).

1.2.

Appellante ontving sinds 1 oktober 2001 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. In maart 2012 heeft appellante het college de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2012 toegestuurd. Bij besluit van 26 april 2012 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 mei 2012 beëindigd omdat appellante niet langer gelijk te stellen is met een Nederlander als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB.

1.3.

Bij besluit van 18 december 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 mei 2014 (bestreden besluit) en voor zover hier van belang, heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 6 februari 2012 tot en met 31 maart 2012 (te beoordelen periode) ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.709,69 van appellante teruggevorderd. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Tot aan de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2012 had appellante rechtmatig verblijf in Nederland. Daarna had appellante geen recht meer op bijstand, omdat zij niet meer gelijk kon worden gesteld met een Nederlander. De uitspraak van de Afdeling is van beslissende betekenis voor het vaststellen van het recht op bijstand, zodat appellante het college van deze uitspraak op de hoogte had moeten stellen. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting is aan appellante over de te beoordelen periode teveel bijstand verstrekt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt, voor zover hier van belang, voor de toepassing van de WWB met een Nederlander gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die, na rechtmatig verblijf te hebben gehad in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vw 2000, rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder g of h, van de Vw 2000.

4.2.

Op grond van artikel 8 van de Vw 2000, voor zover hier van belang, heeft de vreemdeling uitsluitend rechtmatig verblijf:

a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 (a‑rechtmatig verblijf); (…)

g. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 20 en 33, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist (g‑rechtmatig verblijf);

h. in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist; (h‑rechtmatig verblijf) (…).

4.3.

Appellante had van 4 december 2001 tot 4 december 2006 a-rechtmatig verblijf. Na de afwijzing van de verlenging van haar verblijfsvergunning op 13 maart 2008 had zij gedurende de bezwaarprocedure h-rechtmatig verblijf. Na de beslissing op bezwaar van 29 april 2010 had appellante, zoals het college ter zitting van de Raad ook heeft erkend, niet langer rechtmatig verblijf en diende zij Nederland binnen 28 dagen te verlaten. Conform de Vw 2000 schortte het beroep de werking van dit besluit immers niet op. Evenmin was sprake van een rechterlijke beslissing op grond waarvan uitzetting achterwege diende te blijven. Appellante had weliswaar naast haar beroep tegen de beslissing van 29 april 2010 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, die zij conform het beleid van de staatsecretaris van Justitie in Nederland mocht afwachten, maar dat verblijf is geen h-rechtmatig verblijf. Appellante was vanaf 29 april 2010 dan ook geen rechthebbende op bijstand als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de WWB.

4.4.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, doet de belanghebbende aan het college uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.5.

De beroepsgrond van appellante, dat zij haar inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat het haar niet redelijkerwijs duidelijk hoefde te zijn dat de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2012 van invloed kon zijn op het recht op bijstand, slaagt. Uit 4.3 volgt dat de uitspraak van de rechtbank in de vreemdelingrechtelijke procedure van 10 december 2010, noch de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2012, iets hebben gewijzigd in de verblijfsrechtelijke status van appellante die was ontstaan bij de beslissing op bezwaar van 29 april 2010. Deze beslissing was bekend bij het college. Daarom is er geen grond om aan te nemen dat het appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat die uitspraak van invloed kon zijn op het recht op bijstand. Het college heeft zich in het bestreden besluit dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellante de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2012. Het college was dan ook niet bevoegd de bijstand van appellante in te trekken en terug te vorderen met toepassing van artikel 54, derde lid, eerste volzin, en artikel 58, eerste lid, van de WWB op de grond dat appellante de verplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB niet was nagekomen.

4.6.

De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit, voor zover het ziet op de intrekking en de terugvordering van de bijstand over de te beoordelen periode wegens strijd met de onder 4.5 genoemde bepalingen, vernietigen. Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst moet worden gegeven.

4.7.

Het college heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat ook zonder schending van de inlichtingenverplichting sprake was van onverschuldigde betaling. Na de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2012 moest het appellante in ieder geval volstrekt duidelijk zijn geweest dat zij niet langer recht op bijstand had. Het college kan dan ook van zijn bevoegdheid tot intrekking en terugvordering gebruikmaken. Gelet op dit standpunt zal de Raad met het oog op finale geschilbeslechting beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven.

4.8.

Niet in geschil is dat appellante gedurende de te beoordelen periode geen rechthebbende als bedoeld in artikel 11 van de WWB was. Zij had in deze periode geen recht op bijstand en hetgeen haar door het college aan bijstand is vertrekt is zonder wettelijke grondslag betaald. Het college was dus bevoegd de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, tweede volzin, van de WWB in te trekken en de kosten van de ten onrechte verleende bijstand van appellante terug te vorderen met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB.

4.9.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN5014) is de bevoegdheid van het bijstandverlenend orgaan om onverschuldigd betaalde bijstand terug te vorderen in tijd beperkt indien dit orgaan niet adequaat reageert op signalen waaruit het kan afleiden dat het te veel of ten onrechte uitkering heeft verstrekt. Na een signaal heeft het bijstandverlenend orgaan nog zes maanden om tot deze actie over te gaan. Over de periode gelegen na die zes maanden kan het dan geen gebruik maken van de bevoegdheid tot terugvorderen zonder in strijd te komen met het zorgvuldigheidsbeginsel.

4.10.

In dit geval heeft het bijstandverlenend orgaan niet slechts stilgezeten, maar heeft het willens en wetens de bijstand zonder rechtsgrond uitgekeerd en is het deze blijven uitkeren. Uit de zich in de gedingstukken bevindende “Rapportage signalen consulent” blijkt immers dat het college al in juni 2010 op de hoogte was van de stand van zaken in de verblijfsrechtelijke procedure van appellante. Het college wist dat appellante sinds 29 april 2010 niet langer recht op bijstand had en heeft desondanks besloten de bijstand aan appellante te blijven uitbetalen. Er was derhalve sprake van een bewuste betaling zonder rechtsgrond, die voortduurde tot de beëindiging van de bijstand per 1 mei 2012. Het naderhand terugvorderen van (een deel van) deze betaling is daarom temeer in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het college kan dan ook niet in redelijkheid gebruik maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering op grond van onverschuldigde betaling. Bij die stand van zaken heeft het college geen belang meer bij de intrekking over de te beoordelen periode zodat beoordeling van de vraag of de rechtsgevolgen het besluit van 18 december 2012 in zoverre in stand gelaten kunnen worden met toepassing van de onder 4.8 genoemde wettelijke grondslag geen bespreking meer hoeft en die intrekking als zinledig, kan worden herroepen.

4.11.

Uit 4.10 volgt dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit, voor zover die zien op de intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode van 6 februari 2012 tot en met 31 maart 2012, niet in stand behoren te blijven en dat het besluit van 18 december 2012 moet worden herroepen.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.984,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 15 mei 2014 voor zover dat betrekking heeft op de intrekking en

terugvordering van bijstand van appellante over de periode van 6 februari 2012 tot en met

31 maart 2012;

- herroept het besluit van 18 december 2012;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.984,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en A. Stehouwer en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2016.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) M.S. Spek

HD