Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4989

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2016
Datum publicatie
28-12-2016
Zaaknummer
14/7035 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening studiefinanciering naar de norm van een thuiswonende. Terugvordering. Het onderzoek en het rapport voldoen niet aan de eisen. Noch wat betreft de eis dat dient te blijken dat sprake is geweest van een evenwichtig niet vooringenomen onderzoek, noch wat betreft de eis dat de door de controleurs getrokken conclusie omtrent de bewoning door appellant van zijn gba-adres deugdelijk moet zijn onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2017/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/7035 WSF

Datum uitspraak: 14 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

19 november 2014, 14/1384 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.A.M. Rupert, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Rupert. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. B.C. Rots.

Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde de minister in de gelegenheid te stellen nadere informatie in te zenden.

Bij brief van 2 maart 2016 heeft de minister nadere informatie ingezonden, waarop namens appellant bij brief van 15 maart 2016 is gereageerd. De minister heeft hier bij brief van

18 maart 2016 op gereageerd.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer van de Raad.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 15 juni 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Rupert. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

Het onderzoek is heropend.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft, voor zover hier van belang, voor de jaren 2012 en 2013 aan appellant studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Appellant staat vanaf

1 februari 2011 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) ingeschreven onder het [adres] te [woonplaats]. Onder dit adres staan ook de grootouders van appellant ingeschreven.

1.2.

Op 14 november 2013 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Daartoe is zonder succes om 7.30 uur aangebeld op het gba-adres van appellant om te controleren of hij op dat adres woont. Vervolgens is om 8.15 uur aangebeld op het adres waar de moeder van appellant woont. Er heeft geen onderzoek in de woning plaatsgevonden. Vervolgens is een huisbezoek afgelegd op het

gba-adres van appellant. In de woning is onderzoek gedaan en is een verklaring van de grootouders van appellant opgenomen. Van het onderzoek is op 15 november 2013 een rapport opgemaakt. Daarbij is een door de grootouders ondertekende verklaring gevoegd.

1.3.

Bij besluit van 14 december 2013 heeft de minister op basis van het onder 1.2 weergegeven rapport de vanaf 1 januari 2012 aan appellant toegekende studiefinanciering herzien, in die zin dat appellant vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het aan appellant over de periode van januari 2012 tot en met november 2013 te veel betaalde bedrag van € 4.431,48 is daarbij van hem teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 29 april 2014 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 december 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de bevindingen van het onderzoek voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van de minister dat appellant ten tijde van de controle niet op het gba-adres woonde.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft gesteld dat hij weinig geld heeft om spullen te kopen en dat hij weinig persoonlijke eigendommen heeft. De spullen die appellant wel bezit, zoals een telefoon en een laptop, neemt hij iedere dag mee.

3.2.

Appellant heeft voorts gesteld dat zijn moeder nog steeds zijn was doet en dat hij pas – als hij al heeft gegeten – rond 19.30 uur of nog later naar zijn gba-adres gaat. Appellant heeft verder naar voren gebracht dat zijn grootouders niet altijd weten of hij op zijn gba-adres geslapen heeft, omdat hij soms laat thuiskomt en zijn grootouders dan al slapen. Vroeg in de ochtend – om 04.00 uur – vertrekt hij weer om kranten te bezorgen.

3.3.

Voorts heeft appellant gesteld dat de controleurs op een ongelukkig tijdstip bij zijn moeder zijn langsgegaan. Zijn moeder moest op dat moment haar kinderen naar school brengen. Wanneer de controleurs hadden gevraagd of ze later in die woning mochten kijken zou dat geen probleem voor zijn moeder zijn geweest. De controleurs hadden dan kunnen zien, zoals door zijn moeder al is verklaard, dat appellant er niet woonde en dat het voor hem ook niet mogelijk was om daar te wonen.

3.4.

Appellant heeft ten slotte naar voren gebracht dat op 1 december 2015 in het kader van een aanvraag om bijzondere bijstand een huisbezoek op het gba-adres heeft plaatsgevonden mede uitgevoerd door één van de controleurs die ook de onderhavige controle heeft uitgevoerd. Hoewel er niets in zijn woonsituatie is gewijzigd is nu wel tot de opvatting gekomen dat hij op zijn gba-adres woonachtig was.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Een besluit tot herziening als in dit geschil aan de orde kan eerst in rechte stand houden indien de minister aannemelijk maakt dat appellant niet heeft voldaan aan de vereisten die in artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 zijn gesteld. Voor een uitgebreide beschrijving van het toetsingskader verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1877. Verder geldt dat een besluit tot herziening dient te berusten op onderzoek waarbij de minister voldoet aan zijn in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde plicht tot het vergaren van de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

4.2.1.

Besluiten tot herziening als hier aan de orde dienen in de regel te berusten op de resultaten van onderzoek naar de feitelijke woon- en leefsituatie als neergelegd in rapporten opgesteld door de minister aangewezen controleurs. Deze rapporten – getiteld “Rapportage aan DUO; Misbruik uitwonendenbeurs” – dienen deugdelijk inzicht te geven in de wijze waarop het onderzoek door de controleurs is verricht, waaruit het onderzoek heeft bestaan, wat bij het onderzoek is aangetroffen, wat pleit voor en wat pleit tegen het aannemen van bewoning van de student van het gba-adres en welke afwegingen ten grondslag hebben gelegen aan de in het rapport getrokken conclusie omtrent het al dan niet bewonen door de student van het gba-adres.

4.2.2.

Uit het rapport dient te blijken dat een evenwichtig onderzoek heeft plaatsgevonden en dat niet slechts is gezocht naar feiten en omstandigheden die bijdragen aan het beeld dat de student niet op zijn gba-adres woont. Uit de wijze waarop in het rapport verslag van het onderzoek wordt gedaan, dient te volgen welke objectieve waarnemingen zijn gedaan. Indien in het rapport indrukken worden vermeld, conclusies worden getrokken of feiten worden gekwalificeerd, dan dienen deze te worden onderscheiden van de objectieve waarnemingen. Ook dienen de controleurs te vermelden op grond van welke waarnemingen tot een indruk of conclusie is gekomen dan wel op grond waarvan de kwalificatie heeft plaatsgevonden.

4.2.3.

Uit het rapport dient voorts te blijken dat de controleurs een leidende rol hebben vervuld bij het onderzoek. Het is aan de controleurs het onderzoek actief te verrichten. Indien de controleurs niet in staat zijn relevante feiten of omstandigheden vast te stellen, dienen zij dit onder opgaaf van redenen te vermelden. Indien zij aan het niet kunnen vaststellen van feiten of omstandigheden gevolgen wensen te verbinden dienen zij uiteen te zetten op grond waarvan dit naar hun mening tot de mogelijkheden behoort.

4.3.

Partijen worden verdeeld gehouden over het antwoord op de vraag of het onderzoek en het hiervan opgemaakte rapport genoemd in 1.2 voldoende grondslag bieden voor het standpunt van de minister neergelegd in het bestreden besluit dat appellant niet woonachtig is op zijn gba-adres.

4.4.1.

Het rapport van 15 november 2013 behelst een aantal indrukken, feiten en kwalificaties van de controleurs opgedaan bij het huisbezoek op het gba-adres. In het rapport is onder meer vermeld dat de kamer die door de grootvader als de kamer van appellant is getoond de indruk wekt te zijn ingericht als logeerkamer, dat het bed niet de indruk wekt dat hier onlangs nog in is geslapen, dat het een typische logeerkamer bij opa en oma is – er is een boekenplank met boeken uit de jaren zeventig, er is een zonnehemel en er zijn snuisterijen die zijn te verwachten bij senioren – en dat de kamer absoluut niet de indruk wekt dat hier een 20 jaar oude jongen verblijft.

4.4.2.

In het rapport is voorts een verklaring van de grootouders opgenomen waarin zij stellen dat appellant sedert 2009 in de woning woont, globaal drie keer per week aanwezig is, dat er kleding en een aantal studieboeken in de kamer van appellant liggen, dat appellant in de morgen al om 04.00 uur vertrekt, dat de kamer ook als logeerkamer voor de kleinkinderen wordt gebruikt, dat appellant veel bij zijn vrienden en familie is, dat hij niet bij hun eet, dat de bewassing door zijn moeder geschiedt en dat zij met appellant om de tafel zullen gaan.

4.4.3.

In het rapport van 15 november 2013 is voorts weergegeven dat de moeder van appellant bij het bezoek dat de controleurs brachten heeft verklaard dat zij geen tijd had voor de controleurs, dat zij de controleurs niet binnen wenste te laten en dat zij alleen thuis was met twee kleine kinderen. In het rapport staat voorts vermeld dat nadat de controleurs hebben gewezen op een in de tuin staande herenfiets de moeder zich haastte om te zeggen dat zij geen tijd heeft omdat de kleintjes moeten worden aangekleed en dat appellant zijn fiets altijd in de voortuin zet, dan naar het busstation loopt en dat hij gewoon bij opa en oma woont. In het rapport hebben de controleurs de laatste mededeling voorzien van vijf uitroeptekens.

4.5.

Als beschreven in 4.4.1 tot en met 4.4.3 bevat het rapport van 15 november 2013 een aantal feiten, indrukken, conclusies en kwalificaties. De indrukken, conclusies en kwalificaties worden in het rapport niet op voldoende wijze onderbouwd. Weliswaar is door de controleurs summierlijk beschreven wat ten grondslag ligt aan hun opvatting dat de kamer lijkt op een logeerkamer en dat de kamer absoluut niet de indruk wekt dat er een twintigjarige jongen verblijft, maar dit is niet redengevend voor de conclusie dat appellant – die gemotiveerd aan de hand van zijn levensgeschiedenis uiteen heeft gezet waarom hij niet bij zijn moeder kan wonen en waarom hij over een beperkt aantal eigendommen beschikt – niet op deze kamer woonachtig is. Verder ontbreekt enig inzicht op grond van welke waarnemingen en overwegingen de controleurs hebben vastgesteld dat het bed gedurende langere tijd niet beslapen is.

4.6.

Niet inzichtelijk is op welke wijze de verklaring van de grootouders als beschreven in 4.4.2 tot stand is gekomen. Uit de bewoordingen waarin de verklaring is opgesteld, volgt dat deze verklaring – in ieder geval deels – tot stand is gekomen naar aanleiding van vragen van de controleurs. Welke deze vragen zijn geweest is echter niet in het rapport opgenomen, zodat de gegeven antwoorden niet op juiste waarde kunnen worden geschat. Daarbij komt dat de gegeven antwoorden – in ieder geval zonder de vragen te kennen – vragen oproepen die blijkbaar niet door de controleurs zijn gesteld. Evenmin is inzichtelijk wat de grootouders hebben beoogd met de mededeling dat zij met appellant om de tafel zullen gaan. Niet duidelijk is wat de inzet van dit gesprek is. Dit klemt te meer nu ook in het rapport is vermeld dat de grootouders appellant niet willen laten uitschrijven, dat zij met appellant en zijn moeder de situatie willen bespreken en dat zij nimmer hebben beoogd mee te werken aan fraude en appellant willen helpen met een rustige plek voor zijn studie.

4.7.

Hetgeen in het rapport is vermeld ten aanzien van het bezoek aan de moeder als vermeld in 4.4.3 wekt de indruk dat de controleurs van opvatting zijn dat aan de juistheid van hetgeen de moeder vertelt over het niet aanwezig zijn van appellant moet worden getwijfeld. De vermelding van de aanwezigheid van een fiets, de uitdrukking dat de moeder zich “haastte te zeggen” als vermeld in 4.4.3 en het gebruik van de uitroeptekens roepen dit beeld op. Dit beeld wordt echter op geen enkele wijze met objectieve gegevens onderbouwd. Nog daargelaten het vorenstaande is evenmin duidelijk naar aanleiding van welke vragen de moeder van appellant haar uitingen heeft gepleegd. Deze vragen zijn niet in het rapport opgenomen.

4.8.

Uit het rapport van 15 november 2013 vloeit onmiskenbaar voort dat bij de controleurs de indruk bestaat dat appellant niet op zijn gba-adres woont en dat appellant, zijn moeder en zijn grootouders onjuiste verklaringen hebben afgelegd. Uit 4.5 tot en met 4.7 volgt dat de bij de controleurs bestaande indruk niet wordt geschraagd op een wijze als bedoeld in 4.2.2.

4.9.

Hetgeen is overwogen in 4.4.1 tot en met 4.8 leidt tot het oordeel dat het onderzoek en het rapport niet aan de in 4.2.1 tot en met 4.2.2 bedoelde eisen voldoen. Noch wat betreft de eis dat dient te blijken dat sprake is geweest van een evenwichtig niet vooringenomen onderzoek, noch wat betreft de eis dat de door de controleurs getrokken conclusie omtrent de bewoning door appellant van zijn gba-adres deugdelijk moet zijn onderbouwd.

4.10.

Bij de beoordeling of met het rapport van 15 november 2013 de nodige kennis is vergaard als bedoeld in 4.1 en of hij zijn bestreden besluit op dit rapport kon baseren had de minister mitsdien tot de conclusie dienen te komen dat dit niet het geval was. Het onderzoek waarvan het rapport verslag doet is niet op zorgvuldige wijze verricht en de in het rapport getrokken conclusies worden niet gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde gegevens. Reeds hierom komen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Aan hetgeen appellant naar voren heeft gebracht met als doel aan te tonen dat het gestelde in het rapport inhoudelijk onjuist is komt de Raad derhalve verder niet toe.

4.12.

Nu een herstel van het geconstateerde gebrek niet tot de mogelijkheden behoort – een nader onderzoek naar de ten tijde van de controle bestaande situatie is onmogelijk – herroept de Raad het besluit van 14 december 2013 teneinde het geschil definitief te beslechten.

5. De Raad ziet aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant.

Deze worden begroot op € 992,- in beroep en op €1.240,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 38,67 aan reiskosten in totaal € 2.270,67.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 29 april 2014;

  • -

    herroept het besluit van 14 december 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.270,67;

  • -

    bepaalt dat de minister het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J. Brand en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2016.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) I.G.A.H. Toma

UM