Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4961

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
03-01-2017
Zaaknummer
15-4731 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:3538, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De rechtbank heeft op goede gronden de door haar ingeschakelde deskundige gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4731 WIA

Datum uitspraak: 21 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant

van 21 mei 2015, 13/5706 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.R. Meulenberg-ten Hoor, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2016. Appellante is verschenen bijgestaan door mr. Meulenberg-ten Hoor. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is sinds 1 oktober 2009 voor 20 uur per week werkzaam als gastvrouw bij een woongroep met een twaalftal bewoners met een verstandelijke beperking. Zij heeft zich op

2 maart 2011 ziek gemeld wegens een interne aandoening. Na ommekomst van de wachttijd voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellante gedurende

13 uur per week in haar eigen werk werkzaam. Bij besluit van 28 februari 2013 heeft het Uwv, overeenkomstig rapporten van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige, vastgesteld dat voor appellante geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan, omdat zij met ingang van

27 februari 2013 (de datum in geding) minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.2.

In bezwaar heeft appellante onder meer een verklaring van haar behandelend longarts van 19 april 2013 overgelegd. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 februari 2013 is bij besluit van 3 september 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 juni 2013 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 13 augustus 2013. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in samenspraak met stafbezwaarverzekeringsarts een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld op 18 juni 2013. Met deze gewijzigde FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep opnieuw functies geselecteerd, waarmee het verlies aan verdiencapaciteit onveranderd op minder dan 35% komt.

1.3.

Na melding van een verslechterde gezondheidstoestand heeft het Uwv bij besluit van

27 maart 2014 vastgesteld dat appellante met ingang van 23 september 2013 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering, omdat zij geen restverdiencapaciteit heeft.

2. De rechtbank heeft de longarts A.H.M. van der Heijden als deskundige benoemd. Van der Heijden heeft op 10 juni 2014 een rapport uitgebracht. De rechtbank heeft onder verwijzing naar het rapport van Van der Heijden het beroep ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep, evenals in beroep, naar voren gebracht dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is sinds 27 februari 2013. Zij heeft gesteld dat zij dankzij de sarcoïdose niet zal kunnen recupereren zoals – ten onrechte – de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verondersteld bij het vaststellen van de urenbeperking. De behandelend longarts heeft in de brief van 19 april 2013 gesteld dat deelname aan het arbeidsproces niet haalbaar lijkt. Appellante is van mening dat haar vermoeidheidsklachten ernstig worden onderschat. De FML voldoet op vele punten niet aan de beperkingen van appellante. Ten onrechte is voorbij gegaan aan de opmerking van Van der Heijden dat met wisselende belastbaarheid en wisselende inzetbaarheid rekening moet worden gehouden. Als appellante op de reguliere arbeidsmarkt zou moeten functioneren zou dit tot zeer veel en dan ook excessief ziekteverzuim leiden. Ten onrechte zijn de bevindingen van drs. E. Bicknese, klinisch psycholoog/psychotherapeut over de behandeling sinds december 2013 zoals neergelegd in de brief van 7 januari 2014 ter zijde geschoven. De geselecteerde functies geven dusdanige overschrijdingen dat de functies niet passend kunnen worden geacht.

3.2.

Het Uwv heeft onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 september 2015 en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 september 2015 bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat deze situatie zich hier voordoet. Het door Van der Heijden opgestelde deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Van der Heijden heeft ook telefonisch contact gehad met de behandelend longarts.

4.2.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de medische grondslag van het bestreden besluit stand kan houden. Terecht heeft de rechtbank onder verwijzing naar de verzekeringsgeneeskundige rapporten geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat de beoordeling van de belastbaarheid van appellante, zoals in beroep aangepast, voor onjuist te houden. Haar werkzaamheden als gastvrouw heeft appellante eerst per 23 september 2013 volledig gestaakt. Ook is de behandeling bij Bicknese eerst geruime tijd na de datum in geding, zijnde 27 februari 2013, gestart. De overwegingen van de rechtbank worden volledig onderschreven. In die overwegingen worden de gronden van appellante volledig besproken en weerlegd. De in hoger beroep ingediende algemene informatie over sarcoïdose geeft geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

4.3.

Nu de beperkingen van appellante op de datum in geding niet zijn onderschat, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te oordelen dat de belasting in de voor appellante geselecteerde functies haar functionele mogelijkheden overschrijdt.

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en C.C.W. Lange en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2016.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) G.J. van Gendt

JL