Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4958

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
02-01-2017
Zaaknummer
15-774 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is zorgvuldig tot zijn standpunt gekomen en zijn visie is in het licht van de beschikbare informatie van de behandelend artsen en van de eerdere rapporten van de verzekeringsartsen overtuigend. De beperkingen en arbeidsmogelijkheden van appellante zijn op juiste wijze in de FML vastgelegd. Het is niet noodzakelijk nader advies aan een deskundige te vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/774 WIA

Datum uitspraak: 21 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

16 december 2014, 14/7005 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. O. Arslan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. S. Arikan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.F. Bär.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Partijen hebben nadere stukken ingediend en toestemming gegeven een verder onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als woonzorgbegeleidster voor 36 uur per week, toen zij zich op 8 maart 2012 ziek meldde met gewrichtsklachten.

1.2.

Op 16 december 2013 heeft appellante een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Op 3 februari 2014 heeft zij het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. De verzekeringsarts heeft de mogelijkheden en beperkingen van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens op basis van een drietal geselecteerde functies berekend dat appellante met passend werk meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Bij besluit van 21 februari 2014 heeft het Uwv bepaald dat appellante met ingang van 6 maart 2014 niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Appellante heeft tegen het besluit van 21 februari 2014 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 juni 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en zijn beslissing gehandhaafd. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 juni 2014 ten grondslag en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 13 juni 2014.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig geacht en heeft geen aanleiding gezien de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. Het Uwv heeft informatie van de artsen die appellante hebben behandeld bij de beoordeling betrokken, waaronder informatie van een cardioloog en van een neuroloog. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat de belasting in de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat het Uwv de uit haar lichamelijke en psychische klachten voortvloeiende beperkingen heeft onderschat. Zij heeft erop gewezen dat zij vanaf 19 augustus 2014 wegens cardiale en psychische klachten weer een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangt en dat haar medische situatie ongewijzigd is gebleven. Ter ondersteuning van dat standpunt heeft zij informatie overgelegd van haar huisarts, van een aan PsyQ verbonden behandelend psycholoog en een psychiater en van haar neuroloog en haar neurofysioloog.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en heeft via een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de in hoger beroep overgelegde medische informatie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is de verzekerde gedeeltelijk arbeidsongeschikt als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

De rechtbank heeft juist geoordeeld door vast te stellen dat het verrichte onderzoek naar de beperkingen en arbeidsmogelijkheden van appellante zorgvuldig is uitgevoerd, dat op basis daarvan de arbeidsbeperkingen van appellante juist zijn vastgesteld en door het Uwv te volgen in de conclusie dat appellante op 6 maart 2014 in staat was tot het uitoefenen van de geselecteerde functies en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Voor de onderbouwing daarvan wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak, waaraan nog het volgende wordt toegevoegd.

4.3.

De verzekeringsarts heeft appellante op het spreekuur van 3 februari 2014, kort voor de datum in geding, gesproken en onderzocht. Hij was er onder meer mee bekend dat appellante in 2008 een hartaanval heeft gehad, later weer volledig is gaan werken en in 2013 alsnog hartrevalidatie heeft gekregen. Ten tijde van de beoordeling door de verzekeringsarts had appellante vooral last van lichamelijke klachten en in enige mate van kortademigheid. Daarnaast heeft appellante gemeld dat er psychische klachten zijn, maar dat zij van hartklachten nagenoeg geen last meer had. Op basis van zijn onderzoek en van informatie van behandelend artsen van appellante heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat appellante lijdt aan fibromyalgie en psychische klachten en heeft hij in een FML lichamelijke en psychische beperkingen voor appellante opgenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante op 3 juni 2014 gesproken ten tijde van de hoorzitting in verband met haar bezwaar tegen het besluit van 21 februari 2014. Hij heeft appellante toen ook onderzocht en nadere informatie van de behandelend artsen van appellante beoordeeld, van onder meer haar behandelend cardioloog, neuroloog en van PsyQ. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is van mening dat met de lichamelijke en psychische klachten en beperkingen van appellante in de FML voldoende rekening is gehouden en dat de depressieve klachten van appellante geen reden zijn om niet te kunnen werken.

4.4.

Appellante heeft zich ruim vijf maanden na de datum in geding, terwijl zij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, op 19 augustus 2014 weer arbeidsongeschikt gemeld met hartklachten en heeft vanaf die datum weer recht op een ZW-uitkering. Zoals volgt uit het tijdens de zitting overgelegde rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep is hierbij van belang geweest dat appellante op 26 augustus 2014 een cardiale ingreep heeft ondergaan en vanaf 19 december 2014 gedurende twaalf dagen opgenomen is geweest in verband met haar psychische klachten. De betreffende informatie van de behandelend artsen van appellante is in hoger beroep overgelegd door appellante en beoordeeld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze heeft geconcludeerd dat deze informatie bekend was, dat daarmee bij het vaststellen van de beperkingen van appellante per 6 maart 2014 voldoende rekening is gehouden en dat er geen reden is om tot een ander standpunt te komen over de arbeidsmogelijkheden van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is zorgvuldig tot zijn standpunt gekomen en zijn visie is in het licht van de beschikbare informatie van de behandelend artsen en van de eerdere rapporten van de verzekeringsartsen overtuigend. Dat de medische situatie van appellante op 6 maart 2014 verschilt van die op en na 19 augustus 2014 volgt begrijpelijk uit de beschikbare informatie.

4.5.

Evenals de rechtbank wordt daarom geconcludeerd dat de beperkingen en arbeidsmogelijkheden van appellante op juiste wijze in de FML zijn vastgelegd en dat het niet noodzakelijk is nader advies aan een deskundige te vragen.

4.6.

Uit wat in 4.2 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2016.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) R.L. Rijnen

JL