Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4955

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
29-12-2016
Zaaknummer
15-6453 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Niet meer ongeschikt voor zijn maatgevende arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6453 ZW

Datum uitspraak: 21 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
13 augustus 2015, 15/2908 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Tracey hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2016. Appellant is, zonder zijn gemachtigde, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W. de Rooij-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als waterklerk toen hij zich op 7 april 2008 voor dit werk ziek meldde vanwege klachten ten gevolge van de ziekte van Pfeiffer. Nadien traden ook nek- en rugklachten op in verband met een verkeersongeval in oktober 2009. Het Uwv heeft bij besluit van 8 april 2010 vastgesteld dat appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 5 april 2010 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat appellant per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Dit besluit is, na bevestiging in bezwaar, beroep en hoger beroep, in rechte komen vast te staan.

1.2.

Appellant heeft zich op 17 september 2012 ziek gemeld wegens toegenomen linkerbeen- en rugklachten, ontstaan na een fietsongeval. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft bij besluit van 14 augustus 2014 vastgesteld dat appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van
8 september 2014 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat appellant per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant werd met zijn beperkingen in staat geacht functies als transportplanner, administratief medewerker en acquisiteur te vervullen. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Appellant heeft zich op 10 november 2014 ziek gemeld met nek- en rugklachten. Op dat moment ontving hij een WW-uitkering. Op 14 januari 2015 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 10 november 2014, subsidiair 14 januari 2015, geschikt geacht voor het vervullen van de functies als genoemd in 1.2. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 14 januari 2015 vastgesteld dat appellant vanaf
10 november 2014, subsidiair per 14 januari 2015, geen recht heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 9 maart 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 maart 2015 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig is verricht. Appellant is door de verzekeringsarts lichamelijk onderzocht en met dit onderzoek, dat vooral was gericht op de belasting van de nek, de rug en het onderbeen van appellant, is volgens de rechtbank voldoende aandacht besteed aan de klachten van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant weliswaar niet zelf onderzocht, maar hij had, naast de bevindingen van de verzekeringsarts, de beschikking over informatie van de behandelend artsen van appellant. Daarmee zijn voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellant geldende beperkingen te kunnen komen. De rechtbank heeft geen reden gezien de uitkomst van het medisch onderzoek voor onjuist te houden. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant geen nadere medische informatie in het geding heeft gebracht op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de juistheid van de beoordeling door de verzekeringsartsen. Geconcludeerd is dat het Uwv appellant terecht per 10 november 2014 geschikt heeft geacht voor het verrichten van de arbeid in één van de in het kader van de WIA-beoordeling per 8 september 2014 geselecteerde en passend bevonden functies.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich, net als in bezwaar en beroep, op het standpunt gesteld dat zijn beperkingen ten gevolge van de klachten aan het linkerbeen en de rug nog steeds van zodanige aard zijn dat hij arbeidsongeschikt is voor het verrichten van zijn maatgevende arbeid.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar overweging 3 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

De hoger beroepsgronden van appellant zijn een herhaling van de gronden die hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak volledig en voldoende gemotiveerd besproken. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.

4.3.

Appellant heeft in hoger beroep geen (medische) informatie ingebracht die zou moeten leiden tot een andere conclusie.

4.4.

Ter zitting heeft appellant benadrukt dat de klachten aan zijn linkerbeen zijn onderschat, nu deze reeds sinds het fietsongeval in 2012 aanwezig zijn, in de loop der tijd zijn verergerd en worden verklaard door de door zijn arts gestelde diagnose trombose. Appellant wordt in zijn standpunt niet gevolgd. Allereerst niet omdat, bij het vaststellen van de belastbaarheid van een betrokkene niet de diagnose bepalend is, maar de medisch geobjectiveerde beperkingen die deze betrokkene bij het verrichten van arbeid ondervindt. Bovendien heeft appellant zijn stelling niet onderbouwd met medische stukken, opgesteld door zijn behandelend arts.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2016.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) I.G.A.H. Toma

IvR