Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4954

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
29-12-2016
Zaaknummer
14-5482 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor verhuis- en inrichtingskosten. Door de aanwezigheid van een medische noodsituatie te vereisen heeft het college een onjuiste maatstaf aangelegd. De Raad voorziet zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5482 WMO, 15/1621 WMO

Datum uitspraak: 21 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 augustus 2014, 13/6518 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2016. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.C. Alblas.

Het onderzoek ter zitting is geschorst voor het doen van nader onderzoek door het college.

Bij brief van 31 mei 2016 heeft het college de Raad bericht over het verloop van het onderzoek. Bij brieven van 27 juni 2016 en 2 augustus 2016 heeft het college nadere vragen van de Raad beantwoord. Appellant heeft op de brieven van het college gereageerd, nadere vragen van de Raad beantwoord en nadere stukken toegezonden.

Het nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2016. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Alblas.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant woont met zijn echtgenote en drie kinderen in een flatwoning gelegen op de vierde verdieping. Deze woning is uitsluitend via trappen bereikbaar. Appellant heeft in 2007 door een bedrijfsongeval blijvende schade opgelopen aan het evenwichtsorgaan van zijn rechteroor.

1.2.

Op 14 februari 2013 heeft appellant op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een vergoeding voor

verhuis- en inrichtingskosten ingediend. Ter toelichting heeft appellant vermeld dat hij onder behandeling is bij de huisarts vanwege duizeligheidsklachten. Deze klachten vormen een probleem bij het traplopen. In december 2012 is hij van de trap gevallen. Hierbij heeft hij twee ribben gebroken. Appellant heeft tevens verzocht om een urgentieverklaring.

1.3.

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft het college de aanvraag voor verhuis- en inrichtingskosten afgewezen. Hieraan heeft het college – onder verwijzing naar de uitkomsten van multidisciplinair overleg – ten grondslag gelegd dat de beperkingen van appellant bij het traplopen niet van dien aard zijn dat verhuizen naar een andere woning urgent is. Een

contra-indicatie voor traplopen is niet aanwezig.

1.4.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 juni 2013 en verwezen

onder meer naar de aan de woningbouwvereniging gerichte verklaring van zijn huisarts van

28 januari 2013. Hierin vermeldt de huisarts, kort gezegd, dat vanwege valgevaar een benedenwoning is aan te raden. Naar aanleiding van het bezwaar heeft H. Schenk, arts voor Maatschappij en Gezondheid, op verzoek van het college op 11 november 2013 een medisch advies uitgebracht. Hierin rapporteert Schenk dat het traploopprobleem van appellant naar alle waarschijnlijkheid wordt verklaard vanuit verschillende klachten. Dit zijn de sinds 2007 bestaande evenwichtsproblemen, de na de val van de trap, met gebroken ribben als gevolg, ontstane bewegingsangst en de jarenlang bestaande migraine. Onder verwijzing naar de verklaring van de huisarts van 28 januari 2013 adviseert Schenk dat een gelijkvloerse woning wenselijk is, maar dat hij ten tijde van het advies geen medische noodsituatie kan vaststellen.

1.5.

Bij besluit van 10 december 2013 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 25 juni 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard onder verwijzing naar het medisch advies van 11 november 2013. Daarbij heeft het college zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat geen medische noodsituatie is vastgesteld op basis waarvan appellant op korte termijn zou moeten verhuizen, zodat er geen beperkingen zijn in de zelfredzaamheid van appellant.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant betoogt allereerst dat het college hem in aanmerking had moeten brengen voor de gevraagde vergoeding voor verhuis- en inrichtingskosten. Daarbij wijst hij onder meer op de verklaring van zijn huisarts van 28 januari 2013.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4 van de Wmo verplicht het college aan de in dat artikel genoemde personen voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te bieden ter compensatie van hun beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie teneinde hen, voor zover hier van belang, in staat te stellen zich te verplaatsen in en om de woning.

4.2.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en over de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget. Aan artikel 5, eerste lid, van de Wmo is in de gemeente Amersfoort uitvoering gegeven door vaststelling van de Verordening voorzieningen Wmo Amersfoort 2012 (Verordening).

4.3.

Op grond van artikel 3, aanhef en onder a, van de Verordening komt een belanghebbende in aanmerking voor compensatie indien de noodzaak voor het te bereiken resultaat langdurig (langer dan zes maanden) is.

4.4.

Op grond van artikel 15, tweede lid, van de Verordening kan met het oog op het normale gebruik van de woning een individuele compenserende voorziening worden getroffen ten aanzien van de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Op grond van het derde lid zal voor zover de belanghebbende kan verhuizen naar een beschikbare, geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning welke verhuizing kan leiden tot het te bereiken resultaat deze mogelijkheid eerst worden beoordeeld.

4.5.

Het onder 1.4 aangehaalde medisch advies van 11 november 2013 moet zo worden begrepen dat appellant op medische gronden beperkingen ondervindt bij het traplopen, die hem beletten gebruik te maken van de trap die leidt naar zijn woning. Dat ten tijde van het medisch advies geen medische noodsituatie kon worden vastgesteld laat, gelet op de inhoud van het medisch advies, onverlet dat het college op grond van artikel 4 van de Wmo gelezen in verbinding met artikel 3, aanhef en onder a, en artikel 15, tweede lid, van de Verordening was gehouden appellant te compenseren voor de beperkingen die hij ondervond bij het normale gebruik van zijn woning. Door de aanwezigheid van een medische noodsituatie te vereisen heeft het college een onjuiste maatstaf aangelegd. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven.

4.6.

De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend. Hieruit volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de wet.

4.7.

De Raad zal vervolgens bezien welk vervolg hij aan deze uitkomst moet geven. Uit 4.5 volgt dat appellant op grond van zijn beperkingen bij het traplopen in aanmerking komt voor een woonvoorziening. Niet in geschil is dat appellant beoogt te verhuizen en dat hij op grond van artikel 15, derde lid, van de Verordening in aanmerking wenst te komen voor een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten. Niet gebleken is dat één van de in artikel 4 van de Verordening genoemde weigeringsgronden zich hier voordoet of dat er andere gronden zijn om de aanvraag af te wijzen. Volgens de bij de Verordening behorende Beleidsregels 2014 bedraagt de maximale vergoeding voor verhuiskosten op declaratiebasis

€ 3.427,-. De Raad zal op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien en aan appellant een vergoeding toekennen van maximaal € 3.427,-. De Raad zal het besluit van 25 juni 2013 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het te vernietigen bestreden besluit.

4.8.

De Raad stelt aan de hand van de gedingstukken ten overvloede vast dat het college heeft nagelaten om een besluit te nemen op het onder 1.2 genoemde verzoek van appellant om toekenning van urgentie op grond van de Huisvestingsverordening Amersfoort.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze worden begroot op in totaal € 40,- voor reiskosten in beroep en in hoger beroep. Het verzoek om vergoeding van verletkosten wordt afgewezen. Dit verzoek is immers niet onderbouwd met bewijsstukken. Op het formulier proceskosten, dat aan appellant met de kennisgeving voor de zitting is toegezonden, is uitdrukkelijk vermeld dat deze bewijsstukken uiterlijk voor het einde voor de zitting moeten worden overhandigd. Hier komt nog bij dat niet aannemelijk is dat sprake is van reëel gemaakte verletkosten. Appellant ontvangt een uitkering en hij heeft niet gesteld dat hij inkomsten uit arbeid of als zelfstandige is misgelopen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 10 december 2013;

- herroept het besluit van 25 juni 2013;

- kent aan appellant een verhuiskostenvergoeding toe van maximaal € 3.427,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 10 december 2013;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 40,-;

- bepaalt dat het college het in hoger beroep en in beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en M.F. Wagner en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2016.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) G.J. van Gendt

JL