Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4947

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2016
Datum publicatie
27-12-2016
Zaaknummer
16-1363 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plichtsverzuim. Disciplinaire maatregel. Beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant op verschillende punten meer dan eens niet naar waarheid heeft verklaard. De stellingen van appellant ter rechtvaardiging voor zijn handelwijze zijn niet onderbouwd. Verzoek getuigen afgewezen. Plichtsverzuim niet toerekenbaar is niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1363 AW

Datum uitspraak: 15 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

17 februari 2016, 15/1138 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend en een verzoek gedaan tot oproeping van getuigen.

De korpschef heeft vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2016. Appellant is verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J. Zorgdrager en

A.J. Werkmeester.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds 1 september 2002 werkzaam bij de politie, laatstelijk als medewerker service in de functie van surveillant. Appellant is toegelaten tot de opleiding om agent te worden.

1.2.

In de jaren vanaf 2008 is appellant, met uitzondering van het jaar 2012, aansluitend of voorafgaand aan zijn verlof langer afwezig geweest in verband met medische problemen van hemzelf of van zijn familieleden.

1.3.

Appellant heeft verlof aangevraagd en gekregen voor de periode van maandag 22 juli 2013 tot en met vrijdag 16 augustus 2013. Een eerdere verlofaanvraag voor de periode van

20 juli 2013 tot en met 22 augustus 2013 werd afgewezen, omdat in die periode meer dan twee weekenden zaten.

1.4.

Tijdens zijn verlof, op 14 augustus 2013, heeft appellant zijn groepschef G gebeld met de mededeling dat hij nog minimaal een week afwezig zou zijn vanwege een ziekenhuisopname van zijn vrouw. Zij was volgens appellant opgenomen in een ziekenhuis in Kosovo en moest een week op de intensive care blijven.

1.5.

Appellant is op 17 augustus 2013 niet op zijn werk verschenen. Op 20 augustus 2013 is zijn afdelingschef Van A naar de woning van appellant gegaan omdat er geen telefonisch contact met hem mogelijk was. Appellant is niet thuis aangetroffen en is verzocht contact op te nemen met zijn werkgever. Op 20 augustus 2013 heeft appellant een sms-bericht gestuurd aan G met onder meer de mededeling dat hij op zijn vroegst op 28 augustus 2013 zijn werkzaamheden kan hervatten, omdat hij op 26 augustus 2013 zal terugkeren naar Nederland.

Op 26 augustus 2013 heeft appellant een sms-bericht naar G gestuurd met de mededeling dat hij op dat moment onderweg is naar Nederland en dat hij verwacht op 27 augustus 2013 “laat” thuis te zijn en daags erna telefonisch contact zal opnemen.

1.6.

Groepschef K is op 25 augustus 2013 om 20.35 uur langs de woning van appellant gereden. Voor de woning stonden geen auto’s van appellant geparkeerd. Op 26 augustus 2013 is K opnieuw langs de woning gereden alwaar de zwarte Honda CR-V geparkeerd stond. Ook brandde er licht in de gang van het huis. Op 28 augustus 2013 heeft appellant naar G gebeld met de mededeling dat hij die nacht om 4.00 uur was thuisgekomen. Op 29 augustus 2013 heeft appellant zijn werkzaamheden hervat. In een gesprek met G heeft appellant herhaald dat zijn vrouw ter observatie was opgenomen in een ziekenhuis in Kosovo. Appellant is op dat moment door G te kennen gegeven dat hij die ziekenhuisopname met stukken moet onderbouwen.

1.7.

Bij brief van 18 november 2013 is appellant wegens een vermoeden van plichtsverzuim een disciplinair onderzoek aangezegd. De bevindingen hiervan zijn neergelegd in een rapport van 18 februari 2014.

1.8.

Tijdens het verhoor door Bureau Veiligheid, Integriteit & Klachten (VIK) op

20 december 2013 heeft appellant onder meer verklaard dat hij de eerste week van zijn vakantie al naar Kosovo is vertrokken, hij aldaar verbleef bij zijn schoonfamilie in Pec, hij met zijn oude auto (een Peugeot) op vakantie is gegaan en dat hij niet kan verklaren waarom de Honda CR-V op 9 augustus 2013 op zijn naam is overgeschreven, anders dan dat zijn broer dit voor hem heeft geregeld. Ten aanzien van de ziekenhuisopname van zijn echtgenote heeft appellant verklaard dat hij wel papieren van het ziekenhuis heeft meegekregen, maar dat hij deze niet wil overleggen, omdat er medische gegevens van zijn echtgenote in staan.

1.9.

Bij e-mailbericht van 10 januari 2014 heeft appellant verklaard dat zijn echtgenote van

12 augustus 2013 tot en met 24 augustus 2013 in een ziekenhuis opgenomen is geweest en dat hij de stukken hiertoe enkel aan de bedrijfsarts wil overleggen.

1.10.

Uit nader onderzoek van 17 januari 2014 is gebleken dat appellant de Honda CR-V persoonlijk en in gezelschap van zijn gehele gezin heeft gekocht op 9 augustus 2013 en daarbij de Peugeot heeft ingeruild.

1.11.

In een nader verhoor op 14 februari 2014 heeft appellant verklaard dat hij in het eerste verhoor niet de waarheid heeft verteld over de datum van vertrek naar zijn vakantiebestemming en dat hij de Honda CR-V inderdaad op 9 augustus 2013 heeft gekocht. Hij heeft tevens toegezegd bewijs te zullen leveren van de ziekenhuisopname van zijn vrouw in Pec, Kosovo.

1.12.

Op 17 februari 2014 is een aanvullende verklaring van appellant ontvangen, met als bijlage een document waaruit volgens appellant blijkt dat zijn echtgenote opgenomen is geweest in eerdergenoemd ziekenhuis. Na vertaling is echter gebleken dat het een recept voor medicatie betreft.

1.13.

Bij brief van 1 april 2014 is appellant met onmiddellijke ingang geschorst en is het voornemen geuit hem wegens zeer ernstig plichtsverzuim met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) de straf van ontslag op te leggen. Appellant heeft zijn zienswijze geuit en documenten overgelegd, naar aanleiding waarvan nader onderzoek is verricht waarbij appellant opnieuw is gehoord. De korpschef heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Uit het nader onderzoek is gebleken dat de door appellant overgelegde medische verklaring van dr. A. Gashi, waaruit zou moeten blijken dat de echtgenote van appellant van 12 tot en met 24 augustus 2013 opgenomen is geweest in het ziekenhuis in Pec, vals is. Niet alleen is dr. Gashi noch bekend, noch werkzaam bij het desbetreffende ziekenhuis, ook is de echtgenote van appellant daar nooit als patiënt geregistreerd. Appellant heeft vervolgens opnieuw een verklaring overgelegd. Het betreft een handgeschreven verklaring van dr. R. Kola, waaruit blijkt dat de echtgenote van appellant op 12 augustus 2013 door haar is gezien en dat haar tien dagen tot twee weken bedrust is aanbevolen. Uit vervolgonderzoek ter plaatse is gebleken dat de echtgenote van betrokkene daadwerkelijk een half uur tot een uur door dr. Kola is behandeld, echter poliklinisch in een privépraktijk en niet in Pec maar in Pristina, Kosovo.

1.14.

Bij besluit van 8 september 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 februari 2015 (bestreden besluit), heeft de korpschef appellant met onmiddellijke ingang de straf van ontslag opgelegd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant na afloop van zijn vakantie in Kosovo vanaf 17 augustus 2013 ongeoorloofd afwezig is geweest en hierover valse verklaringen heeft overgelegd en diverse malen niet de waarheid heeft gesproken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant zich met de hem verweten gedragingen schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim, dat hem kan worden toegerekend en waaraan de straf van ontslag niet onevenredig is.

3. Appellant heeft op hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

4.2.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant op verschillende punten meer dan eens niet naar waarheid heeft verklaard. Dit blijkt uit de door appellant zelf afgelegde verklaringen, zowel in het VIK-onderzoek als ter zitting van de rechtbank en de Raad. Het gaat hierbij om de data van vertrek en terugkeer naar Kosovo, de auto waarmee is gereisd, de datum van en de gang van zaken rond de aanschaf en kentekenregistratie van de Honda

CR-V, de behandeling in het ziekenhuis, de kosten daarvan, de aard en locatie van het ziekenhuis en de beweerdelijke opname van zijn echtgenote. Appellant heeft ook ter zitting bij de Raad verklaard een en ander aangedikt te hebben om toestemming te kunnen krijgen voor de langere afwezigheid dan het vooraf goedgekeurde verlof. Aldus heeft appellant zelf erkend op onderdelen niet naar waarheid te hebben verklaard.

4.3.

Appellant heeft als rechtvaardiging voor zijn handelwijze aangevoerd, dat hij zich zowel door zijn leidinggevenden als door de onderzoekers van het VIK onder druk gezet voelde en dat hij van tevoren al wist dat naar de door de leiding gewenste einduitkomst werd toegewerkt, gelet op zijn ervaringen in het verleden rondom de problemen met verlof. Er is ten onrechte in voorgaande jaren getwijfeld aan de ziekte van zijn vrouw. Dit betoog treft geen doel. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verklaringen niet in vrijheid of onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd; in het rapport van disciplinair onderzoek vindt de Raad ook geen aanknopingspunten voor die stelling. Tijdens de gesprekken heeft appellant niet kenbaar gemaakt dat hij zich onheus behandeld voelde. Appellant heeft verder geen klacht ingediend. Ook de stelling dat de verklaringen van G, Van A en K onjuist zijn wijst de Raad als niet voorzien van een onderbouwing van de hand.

4.4.

Op basis van het onderzoeksrapport en de eigen verklaring van appellant dat hij in eerste instantie niet naar waarheid heeft verklaard, is de Raad van oordeel dat het oproepen van getuigen, zoals door appellant verzocht, redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Zijn daartoe strekkend verzoek wordt dan ook afgewezen. De Raad volgt hierin tevens het oordeel van de rechtbank.

4.5.

De verweten gedragingen, te weten dat appellant van 17 augustus 2013 tot en met

28 augustus 2013 ongeoorloofd afwezig is geweest, hierover valse verklaringen heeft overgelegd en diverse malen niet de waarheid heeft gesproken, leveren plichtsverzuim op.

4.6.

Appellant heeft betoogd dat die gedragingen hem niet kunnen worden toegerekend, omdat sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie. Bij de vraag of plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van

20 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3895) van belang of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Het ligt op de weg van de ambtenaar aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. Appellant is daarin niet geslaagd. Niet is gebleken dat de verstoorde verhoudingen, wat daar verder ook van zij, van zodanige invloed waren dat appellant de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag niet heeft kunnen inzien of niet naar dit uitzicht heeft kunnen handelen. Dat betekent dat de korpschef bevoegd was om appellant een disciplinaire straf op te leggen.

4.7.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag, gezien de aard en ernst van de gedragingen en de betekenis hiervan voor het functioneren van appellant binnen de politiedienst en de gestelde eisen aan de betrouwbaarheid en integriteit van medewerkers van die dienst, niet onevenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim. De door appellant gestelde financiële gevolgen en de impact die het ontslag op zijn gezin heeft, leiden niet tot een ander oordeel.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. De Raad zal het verzoek tot vergoeding van schade afwijzen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en M.T. Boerlage en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2016.

(getekend) K.J. Kraan

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD