Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4930

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2016
Datum publicatie
22-12-2016
Zaaknummer
16/539 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens een impasse in de arbeidsrelatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/539 AW

Datum uitspraak: 15 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

18 december 2015, 15/1045 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het Dagelijks Bestuur van het Openbaar Lichaam Sociale Werkvoorziening [A.] (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.F.A.M. Weijling, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Weijling. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H.M. Wesseling, J.C. Kooij en F.W.J. Rensman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1998 in dienst van het Openbaar Lichaam Sociale Werkvoorziening [A.] ([A.]), laatstelijk in de functie van [manager].

1.2.

Medio 2008/2009 is een managementcrisis ontstaan binnen [A.], naar aanleiding van het optreden van de toenmalige directeur. Appellant heeft met zeven andere collega’s een klacht ingediend wegens ongewenste omgangsvormen. Naar aanleiding van deze klacht en een onderzoek is de directeur ontslagen.

1.3.

De nieuw aangestelde directeur F heeft op 14 april 2009 een gesprek gevoerd met appellant. Daarin heeft F, onder verwijzing naar een kort daarvoor gevoerd kennismakingsgesprek met appellant, kenbaar gemaakt dat het beter is om afscheid van elkaar te nemen. Het aanhouden van appellant is te belastend voor het vervolg van het proces. Het heeft de voorkeur van F dat appellant in het circuit van Dordrecht een andere functie zal gaan betrekken. Van ontslag is geen sprake. Appellant heeft daarop laten weten dat het besluit hem niet verbaast en dat hij zijn medewerking zal verlenen om tot een andere functie te komen. Deze optie is tijdens het bespreken van het onderzoeksrapport reeds aan de orde geweest. In eerste instantie heeft appellant toen laten weten dat terugkeer bij [A.] de voorkeur had, echter toen al met de kanttekening dat, mocht men zich hiertoe genoodzaakt zien, hij dan zou meewerken. Een verslag van dit gesprek is door appellant ondertekend.

1.4.

Onderhandeling over een vertrekregeling heeft niet tot resultaat geleid. Tot half april 2014 heeft appellant op basis van detachering verschillende functies vervuld. Laatstelijk was hij op basis van separate detacheringsovereenkomsten werkzaam voor twee externe werkgevers, te weten de Regionale ontwikkelingsmaatschappij [A.] ([Rom-A]) en de Gemeenschappelijke Regeling [A.] ([GR A.]).

1.5.

De [GR A.] heeft per 1 april 2014 geen vervolg gegeven aan de detachering van appellant. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant in een overleg bij [Rom-A] tegen een medewerker van [Rom-A] heeft gezegd dat bij [A.] sprake zou zijn van een fraudegeval. Dit betrof volgens [GR A.] vertrouwelijke informatie. Ook [Rom-A] heeft de detachering met appellant niet voortgezet, onder meer wegens aanmerkingen op de financiële verslaggeving van appellant.

1.6.

Bij besluit van 28 augustus 2014 heeft het dagelijks bestuur, na daartoe een voornemen kenbaar te hebben gemaakt waarop appellant zijn (schriftelijke) zienswijze heeft gegeven, appellant met ingang van 1 september 2014 ontslag verleend op grond van artikel 8:8 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst voor de sector gemeenten (CAR/UWO) wegens een impasse in de arbeidsrelatie. Het dagelijks bestuur heeft daarbij aan appellant een aanvullende en nawettelijke uitkering toegekend. Aan dit ontslag ligt ten grondslag dat in april 2009 is afgesproken dat appellant en [A.] afscheid van elkaar zouden nemen en het niet gelukt is om appellant in de vijf jaar nadien te plaatsen in een andere functie. Voorts is gebleken dat de [GR A.] noch [Rom-A] verder willen met appellant.

1.7.

Bij besluit van 22 januari 2015 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur, overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het besluit van 28 augustus 2014 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 28 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:198) kan de ontslaggrond van artikel 8:8 van de CAR/UWO worden toegepast als voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd, omdat op de datum van het ontslagbesluit sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en/of als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd. Daarbij kan er aanleiding bestaan om bovenop de toegekende uitkeringen een compensatie toe te kennen, indien het bestuursorgaan een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid (uitspraak van

30 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2151).

4.2.1.

Appellant heeft aangevoerd dat hem in 2009, toen hij een stap opzij deed om toekomstige ontwikkelingen de ruimte te geven, is toegezegd dat hij binnen [A.] met ander werk belast zou worden en dat geen ontslag zou volgen. Appellant verwijst naar de passage in het gespreksverslag van 14 april 2009 dat ‘van ontslag geen sprake is’.

4.2.2.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant hieraan redelijkerwijs niet het vertrouwen kon ontlenen dat hij, ook in een later stadium, zou worden ontslagen. In deze passage uit het gespreksverslag ziet de Raad een inspanningsverplichting van het dagelijks bestuur om appellant te begeleiden en te ondersteunen naar een andere functie.

4.3.1.

Appellant heeft zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat het dagelijks bestuur ten onrechte heeft geconcludeerd dat er voor appellant geen plaatsingsmogelijkheden meer waren. Het dagelijks bestuur had zich meer moeten inspannen. Er was dus geen sprake van een impasse, aldus appellant.

4.3.2.

Dit standpunt wordt niet gevolgd. Appellant is na 2009 begeleid door het Loopbaancentrum van de [A.]. Met medewerking van [A.] is appellant vrijwel onafgebroken bij een aantal werkgevers binnen de [A.] op detacheringsbasis werkzaam geweest. Na april 2014 hoefden geen verdere inspanningen van het dagelijks bestuur te worden verlangd. Het dagelijks bestuur heeft namelijk aannemelijk gemaakt dat het delen van vertrouwelijke informatie door appellant met een medewerker van [Rom-A] over een fraudegeval bij [GR A.] een nieuwe plaatsing binnen de [A.] sterk bemoeilijkt. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat reeds in april 2009 tussen partijen is geconcludeerd dat appellant geen toekomst meer had bij [A.] en het in de daaropvolgende periode van vijf jaar niet is gelukt om een definitieve oplossing te vinden in de vorm van een bestendig vervulde nieuwe betrekking in de [A.] voor appellant, mocht het dagelijks bestuur concluderen dat een impasse was ontstaan.

4.4.

De conclusie is dat, zoals de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld, het dagelijks bestuur bevoegd was appellant ontslag te verlenen op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO en ook van deze bevoegdheid gebruik mocht maken.

4.5.

Er zijn in het dossier onvoldoende aanwijzingen voor het oordeel dat sprake was van een overwegend aandeel in de impasse van de zijde van het dagelijks bestuur. De aangeboden regeling moet daarom als passend worden beschouwd. Appellant heeft geen aanspraak op aanvullende compensatie.

4.6.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

E.R. Eggeraat als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2016.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) A. Mansourova

HD