Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4922

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2016
Datum publicatie
23-12-2016
Zaaknummer
15/448 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gronden hoger beroep zijn in de kern herhaling gronden beroep. Rechtbank terecht geoordeeld dat Uwv alle fysieke klachten en informatie behandelend sector heeft meegewogen. Met energetische beperkingen rekening gehouden. Wel urenbeperking betreffende ’s nachts kan werken, maar niet verdergaand. Geen aanleiding onderzoek door deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/448 WIA

Datum uitspraak: 9 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
15 december 2014, 13/6770 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. O Albayrak, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nog nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld op de zitting van 1 juli 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Albayrak. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindenman.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

Het Uwv heeft nog een nadere reactie ingezonden.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 30 december 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante vanaf
4 december 2008 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%.

1.2.

Naar aanleiding van een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante heeft het Uwv – na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek – bij besluit van 7 mei 2013 de WGA-uitkering van appellante vanaf 8 juli 2013 beëindigd omdat appellante op die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.3.

Het hiertegen ingediende bezwaar is door het Uwv bij besluit van 27 november 2013 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het Uwv bij het bestreden besluit appellante met ingang van 8 juli 2013 alsnog ongewijzigd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht, maar de WIA-uitkering met ingang van 27 januari 2014 beëindigd omdat dat zij op die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat er geen grond bestaat om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft blijkens zijn rapporten alle ingebrachte medische informatie meegewogen bij het vormen van zijn conclusie. Er bestaan ook anderszins geen aanknopingspunten om de medische grondslag van het bestreden besluit niet deugdelijk te achten. Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv bij appellante aangenomen beperkingen is er geen aanleiding te oordelen dat zij de werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde en aan haar voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten. Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op minder dan 35% en daarom terecht geconcludeerd dat appellante met ingang van
27 januari 2014 geen recht heeft op een WIA-uitkering, aldus de rechtbank.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar lichamelijke klachten zijn onderschat dan wel dat onduidelijk is of die klachten bij het vaststellen van de Functionele Mogelijkhedenlijst van 27 februari 2013 (FML) zijn meegenomen. Ten onrechte is geen urenbeperking aangenomen. Nu de FML aanpassing behoeft zijn de functies niet geschikt. Appellante heeft verzocht zonodig een deskundige te benoemen.

3.1.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in de kern een herhaling van wat door haar in beroep naar voren is gebracht.

4.2.

De rechtbank oordeelt in de aangevallen uitspraak terecht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle fysieke klachten van appellante alsook de informatie van de behandelend sector in voldoende mate bij zijn beoordeling heeft betrokken. Uit de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 juli en 21 november 2013 blijkt dat de verzekeringsarts dossierstudie heeft verricht en daarbij heeft kennisgenomen van de medische informatie van de behandelend sector, de hoorzitting heeft bijgewoond en appellante ook zelf heeft onderzocht. De uit die onderzoeken verkregen informatie heeft hij blijkens die rapporten ook betrokken bij zijn oordeelsvorming.

4.3.

Wat betreft de klachten als gevolg van het carpaal tunnel syndroom (CTS) komt de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 4 november 2014 – mede in het licht van de overige beschikbare medisch stukken van de behandelend sector – tot de conclusie dat noch uit die gegevens noch uit zijn eigen onderzoek – bij welk onderzoek hij constateert dat de specifieke testen bij CTS negatief zijn en de kracht in de betreffende niet-dominante hand minimaal is verminderd – blijkt van een zodanig CTS dat deze op de datum hier in geding tot ernstiger beperkingen zou moeten leiden dan is vermeld in de FML. Wat de cervicale klachten betreft heeft die verzekeringsarts in zijn rapport van 6 maart 2015 – in samenhang gezien met de in de bezwaarprocedure door hem opgestelde rapporten – op toereikende en inzichtelijke wijze gemotiveerd dat het door de KNO-arts geconstateerde röntgenologisch beeld van cervicale botverhaking evenmin aanleiding geeft tot het aannemen van verdergaande beperkingen. Hij wijst er daarbij op dat hij bij lichamelijk onderzoek actief en passief een normale beweeglijkheid heeft vastgesteld. Ook acht hij van belang dat bij in 2008 verricht neurologisch onderzoek de ervaren lichamelijke nek-, schouder-, rug- en bekkenklachten niet verklaard konden worden. Verder blijkt uit de door appellante overgelegde informatie van de huisarts van 9 februari 2015 niet dat appellante zich voor de klachten als gevolg van CTS en cervicale botverhaking ten tijde hier van belang onder behandeling heeft gesteld. Wat betreft de cardiale klachten heeft de verzekeringsarts in zijn rapport 6 maart 2015 en naar aanleiding van de door appellante ingezonden brief van de op haar verzoek rapporterende cardioloog

dr. T. Vandendriessche van 20 juni 2016 aangevuld bij rapport van 16 september 2016 ook op inzichtelijke en overtuigende wijze gemotiveerd dat niet blijkt dat die cardiale klachten moeten leiden tot meer beperkingen, nu met energetische beperkingen rekening is gehouden bij de fysieke piek- en duurbelasting. Er is sprake van een suggestie van prinzmetal angina en van een verbetering van klachten als gevolg van medicatie, aldus de cardioloog Vandendriessche. Dat de door appellante ingeschakelde cardioloog El Aidi haar ruim na de datum in geding arbeidsongeschikt acht, kan haar niet baten.

4.4.

Anders dan appellante meent, heeft de verzekeringsarts wel een urenbeperking aangenomen in die zin dat in rubriek 6 van de FML is vastgelegd dat appellante niet ’s nachts kan werken en qua uren enigszins beperkt is (kan gemiddeld ongeveer 8 uur per dag en 40 uur per week werken). Een verdergaande urenbeperking acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 31 juli 2013 bij de voor appellante passende arbeid en in acht genomen de Standaard “Verminderde Arbeidsduur” op grond van energetische argumenten, op grond van verminderde beschikbaarheid voor arbeid en op preventieve gronden niet aan de orde. Nu ook wat betreft de overige lichamelijke klachten van appellante onvoldoende objectief medische gegevens voorhanden zijn die aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat appellante op de datum in geding meer beperkt is dan is weergegeven in de FML, bestaat er geen aanleiding te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsartsen van het Uwv.

4.5.

Gelet op het voorgaande ziet de Raad geen aanleiding een onderzoek door een deskundige te initiëren als door appellante verzocht. Appellante heeft diverse medische rapporten overgelegd, maar die rapporten dateren deels van na de datum in geding en daarin wordt geen uitspraak gedaan over de situatie op de datum in geding. Wat betreft de in die rapporten gestelde cardiale klachten is in 4.3 overwogen dat daarmee door de verzekeringsartsen in voldoende mate rekening is gehouden. De laatstelijk door appellante ingeschakeld cardioloog Vandendriesche kan de diagnose niet definitief bevestigen en signaleert een verbetering.

4.6.

Uitgaande van de juistheid van de FML komt de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht tot het oordeel dat appellante medisch in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te vervullen. De arbeidsdeskundigen van het Uwv hebben de “Resultaat functiebeoordeling” ook op toereikende wijze gemotiveerd waarom de belasting in de voorgehouden functies – in acht genomen ook de bij die functies voorkomende signaleringen – in overeenstemming is met de belastbaarheid van appellante.

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en L. Koper en P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2016.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) R.I. Troelstra

SS