Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4921

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2016
Datum publicatie
23-12-2016
Zaaknummer
14/6689 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belastende besluiten. Bewijslast. De beschikbare gegevens riepen veel vragen op, zowel van de kant van werkgever als van appellant. Had aanleiding moeten zijn voor nader onderzoek. Op grond van thans beschikbare gegevens niet aannemelijk dat appellant van 1 februari 2013 tot en met 31 mei 2013 bij werkgever heeft gewerkt. Hoger beroep slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6689 WW, 15/7093 WW, 15/7814 WW

Datum uitspraak: 7 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

28 oktober 2014, 14/1900 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P.A. Balder, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op 12 februari 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarop appellant heeft gereageerd.

Het Uwv heeft op 5 november 2015 nogmaals een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarop appellant heeft gereageerd.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Balder. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W. van Nieuwburg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 16 juli 2012 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft deze uitkering wegens werkhervatting met ingang van 1 oktober 2012 beëindigd. Omdat appellant vanaf 3 december 2012 geen werk meer had, heeft het Uwv de WW-uitkering vanaf die datum voortgezet.

1.2.

Bij brief van 18 september 2013 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat uit een controle is gebleken dat appellant niet heeft doorgegeven dat hij in de periode van 1 februari 2013 tot en met 31 mei 2013 heeft gewerkt bij [naam werkgever] , handelend onder de naam garagebedrijf [naam garagebedrijf] , en dat hij te laat heeft gemeld dat hij vanaf 22 juli 2013 werkzaam is geweest bij [naam bedrijf] . Naar aanleiding van deze brief heeft appellant op 18 september 2013 telefonisch contact opgenomen met het Uwv en te kennen gegeven dat hij helemaal niet heeft gewerkt bij [naam werkgever] in de periode van februari tot en met mei 2013.

1.3.

Het Uwv heeft hierin aanleiding gezien nadere informatie op te vragen bij [naam werkgever] . Het administratiekantoor van [naam werkgever] heeft het Uwv meegedeeld dat appellant in dienst is geweest vanaf 1 februari 2013 in een omvang van 38 uur per week en heeft het Uwv een overzicht verstrekt van de loonbetalingen aan appellant over de periode van 1 februari 2013 tot en met 31 mei 2013. Tevens is een ongetekende arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd meegestuurd. Volgens deze arbeidsovereenkomst zou appellant van 1 februari 2013 tot en met 31 juli 2013 in dienst zijn geweest bij [naam werkgever] in de functie van spuiter/voorbewerker in een omvang van 38 uur per week en tegen een salaris van € 2.600,- bruto per maand.

1.4.

Bij besluit van 10 oktober 2013 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant met ingang van 28 januari 2013 ingetrokken en over de periode van 28 januari 2013 tot en met

28 juli 2013 een bedrag van € 7.851,41 aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde

WW-uitkering van appellant teruggevorderd.

1.5.

Bij een tweede besluit van 10 oktober 2013 heeft het Uwv appellant een boete van

€ 7.851,41 opgelegd wegens schending van zijn inlichtingenplicht.

1.6.

Bij besluit van 2 april 2014 (bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 10 oktober 2013 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen bestreden besluit I ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank berust het standpunt van het Uwv, dat appellant in de periode van 1 februari 2013 tot en met 31 mei 2013 werkzaam is geweest bij [naam werkgever] , op een voldoende onderbouwing en is appellant er niet in geslaagd om de juistheid van de door het Uwv getrokken conclusies te weerleggen. Het Uwv heeft daarom voldoende aannemelijk gemaakt dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden, terecht de WW-uitkering van appellant over de periode van 18 januari 2013 tot en met

28 juli 2013 ingetrokken en het onverschuldigd betaalde bedrag van € 7.851,41 van appellant teruggevorderd. Wat betreft de boete heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant daartegen geen beroepsgronden heeft aangevoerd, waardoor de rechtbank niet is toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit, voor zover dat de opgelegde boete betreft.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat hij nooit voor [naam werkgever] heeft gewerkt en dat sprake is van identiteitsfraude. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd de bewijzen, die door hem waren ingebracht, terzijde gesteld. Het gaat daarbij met name om de verklaringen van [naam A] van 23 april 2014 en van [naam B] van 24 mei 2014 die beiden hebben verklaard dat zij als ex-werknemer van [naam werkgever] appellant nooit hebben gezien bij [naam werkgever] . De verklaringen van [naam werkgever] heeft de rechtbank wel van doorslaggevend belang geacht, terwijl deze verklaringen wegens het ontbreken van objectieve bewijsstukken voor wat betreft hun waarheidsgehalte volgens appellant als uitermate twijfelachtig moeten worden beschouwd.

3.2.

Het Uwv heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3754) bij beslissing op bezwaar van 12 februari 2015 (bestreden besluit II) de boete verlaagd naar 50% van het benadelingsbedrag van € 7.851,41 en deze, afgerond op een veelvoud van € 10,-, vastgesteld op € 3.930,-. Bij beslissing op bezwaar van 5 november 2015 (bestreden besluit III) heeft het Uwv de boete, voor zover deze betrekking heeft op het te laat melden van de werkzaamheden bij [naam bedrijf] , verlaagd naar € 40,- en daarmee de totale boete vastgesteld op € 3.760,-. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen voor zover daarbij is beslist over de herziening en terugvordering van WW-uitkering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bestreden besluiten II en III worden, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

4.2.

Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting verschillen partijen er niet over van mening dat appellant zijn werkzaamheden bij [naam bedrijf] niet tijdig heeft doorgegeven aan het Uwv, dat het Uwv op die grond de WW-uitkering vanaf 22 juli 2013 terecht heeft ingetrokken en over de periode van 22 juli 2013 tot en met 28 juli 2013 een bedrag van

€ 422,05 aan onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant heeft teruggevorderd. Evenmin is in geschil dat het Uwv appellant vanwege deze schending van zijn inlichtingenplicht op goede gronden een boete van € 40,- heeft opgelegd.

4.3.

Het gaat in dit geding om de vraag of de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat appellant in de periode van 1 februari 2013 tot en met 31 mei 2013 werkzaam is geweest bij [naam werkgever] , dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door hiervan geen mededeling te doen aan het Uwv, dat het Uwv in verband hiermee terecht de WW-uitkering van appellant over die periode heeft ingetrokken en teruggevorderd en appellant een boete heeft opgelegd.

4.4.

Voorop gesteld wordt dat het bij besluiten tot intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen als hier aan de orde gaat om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv in het voorliggende geval feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat appellant in de relevante periode heeft gewerkt bij [naam werkgever] en wel in een zodanige omvang dat geen recht meer bestond op een WW-uitkering. Indien op grond van de gepresenteerde feiten aannemelijk is dat de betrokkene ten tijde van belang (in deze omvang) werkzaam is geweest bij [naam werkgever] , dan ligt het op de weg van betrokkene de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.

4.5.

Het Uwv heeft ter onderbouwing van zijn standpunt in de eerste plaats gewezen op de gegevens uit zijn polisadministratie. Hierin staat vermeld dat appellant van 1 februari 2013 tot en met 31 mei 2013 in dienst van [naam werkgever] heeft gewerkt en een brutosalaris heeft ontvangen van € 2.356,89 in februari en maart, van € 2.372,16 in april en van € 3.204,16 in mei inclusief vakantietoeslag. Deze bedragen stemmen overeen met de door het administratiekantoor van [naam werkgever] aan het Uwv gezonden salarisspecificaties van appellant. In de tweede plaats heeft het Uwv gewezen op de telefonische verklaring van [naam werkgever] van 31 maart 2014 tegenover een medewerker van het Uwv. [naam werkgever] heeft toen verklaard dat appellant bij hem heeft gewerkt en een arbeidsovereenkomst heeft getekend voor de periode van 1 februari 2013 tot

1 augustus 2013. Twee maanden voordat het contract afliep heeft [naam werkgever] appellant laten weten dat het contract niet zou worden verlengd. Appellant heeft toen gevraagd of het dienstverband direct kon worden beëindigd en dit verzoek heeft [naam werkgever] naar zijn zeggen ingewilligd. In de derde plaats heeft het Uwv gewezen op een bankafschrift van [naam werkgever] waaruit blijkt dat op 28 maart 2013 een bedrag van € 1.755,19 is overgemaakt naar het bankrekeningnummer van appellant met de omschrijving ‘salaris garage [naam garagebedrijf] maart 2013’. Dit nettobedrag komt overeen met het nettobedrag dat volgens de salarisspecificatie over de maand maart 2013 aan appellant is betaald.

4.6.

Appellant heeft steeds ontkend dat hij ooit voor [naam werkgever] heeft gewerkt. Volgens appellant is sprake geweest van identiteitsfraude. Appellant heeft wel via Marktplaats een restyleset (uitdeukset) verkocht aan (een medewerker van) [naam werkgever] . Appellant heeft daarvoor in maart 2013 een vergoeding ontvangen van € 1.755,19 en in mei 2013 nog eens € 700,- voor de verkoop van een slagtrekker en lijmpistool. Het specifieke bedrag van € 1.755,19 hield volgens appellant verband met het feit dat bij de restyleset een aantal beugels zaten die nog nooit waren gebruikt en daarom voor de aanschafprijs aan [naam werkgever] zijn verkocht. Appellant heeft er geen acht op geslagen dat op de bankoverschrijving de omschrijving ‘salaris garage [naam garagebedrijf] maart 2013’ stond vermeld. Hij heeft evenmin gezien dat bij de bankoverschrijving van het bedrag van € 700,- stond vermeld ‘gedeelte salaris mei 2013 garage [naam garagebedrijf] [locatie] ’. Bij de verkoop van de restyleset heeft appellant een mapje meegegeven waarin, naast de gebruiksaanwijzing, per ongeluk ook een kopie van zijn identiteitsbewijs en zijn

BSN-nummer zat. Appellant heeft in beroep verklaringen overgelegd van [naam A] van

23 april 2014 en van [naam B] van 24 mei 2014. Beiden hebben verklaard dat zij in de periode dat zij voor [naam werkgever] hebben gewerkt (oktober 2012 tot en met april 2013 respectievelijk maart 2013 tot en met april 2013) appellant nooit bij [naam werkgever] hebben gezien. Appellant heeft aangifte gedaan bij de Belastingdienst en het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude, maar heeft tot op heden geen inhoudelijke reactie op zijn aangiftes ontvangen.

4.7.

De beschikbare gegevens roepen veel vragen op. De gegevens uit de polisadministratie zijn ontleend aan een loonopgave van [naam werkgever] . Deze loonopgave stemt overeen met het brutoloon dat vermeld staat op de salarisspecificaties. Op de salarisspecificaties staat echter steeds vermeld dat het salaris per kas aan appellant is betaald, maar volgens de bankafschriften is het loon over de maand maart 2013 en het voorschot over de maand mei 2013 door middel van een bankoverschrijving overgemaakt naar appellant. Het Uwv heeft [naam werkgever] niet gevraagd naar betalingsbewijzen van de betalingen per kas aan appellant. Het Uwv heeft evenmin navraag gedaan bij de Belastingdienst of er met betrekking tot de kasbetalingen loonbelasting en premies werknemersverzekeringen zijn afgedragen. [naam werkgever] heeft op 31 maart 2014 tegenover het Uwv verklaard dat appellant een arbeidsovereenkomst heeft getekend, maar achteraf is gebleken dat er geen getekend exemplaar van de arbeidsovereenkomst is. De verklaring die appellant heeft gegeven met betrekking tot de betaling van het bedrag van € 1.755,19 en € 700,- roept evenzeer vragen op, maar is niet op voorhand ongeloofwaardig. Hetzelfde geldt voor de verklaring die appellant heeft gegeven voor de vraag hoe [naam werkgever] aan een kopie van het identiteitsbewijs en het BSN-nummer van appellant is gekomen. Het gegeven dat appellant steeds heeft betwist dat hij ooit voor [naam werkgever] heeft gewerkt en de vragen die de beschikbare gegevens oproepen hadden het Uwv aanleiding moeten geven om een nader onderzoek in te stellen naar de vraag of appellant daadwerkelijk voor [naam werkgever] heeft gewerkt. Het had in de rede gelegen dat het Uwv in dat kader [naam werkgever] om opheldering had gevraagd en ook appellant had gehoord. De in beroep overgelegde verklaringen van [naam A] en [naam B] onderstrepen dat. De door de rechtbank gesignaleerde tegenstrijdigheid tussen die verklaringen zijn door appellant in hoger beroep afdoende weerlegd. Op grond van de thans beschikbare gegevens is niet aannemelijk geworden dat appellant in de periode van 1 februari 2013 tot en met 31 mei 2013 bij [naam werkgever] heeft gewerkt.

4.8.

Gezien het tijdsverloop is er geen aanleiding om het Uwv nog in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te verrichten met betrekking tot de vermeende werkzaamheden van appellant bij [naam werkgever] .

4.9.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.8 is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal het beroep van appellant gegrond worden verklaard, bestreden besluit I word vernietigd en de besluiten van 10 oktober 2013 worden herroepen een en ander behoudens voor zover daarbij de WW-uitkering van appellant is herzien en teruggevorderd over de periode van 22 juli 2013 tot en met 28 juli 2013. Bestreden besluit II zal eveneens worden vernietigd en bestreden besluit III zal worden vernietigd behoudens voor zover daarbij met betrekking tot het te laat melden van de werkzaamheden bij [naam bedrijf] een boete is opgelegd van € 40,-.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep, totaal € 1.984,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 2 april 2014 en herroept de besluiten van 10 oktober 2013, behoudens voor zover daarbij de WW-uitkering is herzien en teruggevorderd over de periode van 22 juli 2013 tot en met 28 juli 2013;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 12 februari 2015 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 5 november 2015 gegrond en vernietigt dat besluit behoudens voor zover daarbij een boete is opgelegd van € 40,- ter zake van het te laat melden van de werkzaamheden over de periode van 22 juli 2013 tot en met

28 juli 2013;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.984,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en B.M. van Dun en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2016.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) R.I. Troelstra

TM